Van pindakaaspotvuller naar Umweltkritikaster

 

  • Karin Wolfs, onafhankelijk filmjournalist

Toen een advocaat van kabelexploitanten, bij de vergoedingenstrijd voor doorgifte van films, filmmakers een paar jaar geleden vergeleek met pindakaaspotvullers, reageerde de Nederlandse filmwereld diep beledigd. Toch is het in ‘de sector’ dagelijkse praktijk geworden om te praten over film als een ‘product’ van ‘technische innovatie’, dat rekening dient te houden met ‘businessmodellen’, ‘financieringstrajecten’, ‘afzetmarkten’ en ‘publieksbereik’. De te realiseren filmverhalen zijn het sluitstuk dat in die voorgevormde mallen moet passen om überhaupt kans te maken op verwezenlijking.

Is het gek dat onder die omstandigheden vaak film’producten’ worden afgeleverd die op safe spelen, bevestigen wat al bekend is, de veilige middenweg kiezen? Filmmakers leren vanaf hun eerste stappen in de Nederlandse filmwereld binnen de lijntjes van het systeem te kleuren, zich aan conventies te houden, succes na te streven: dat levert risicoloze middelmaat op. Hoe hard Filmfonds, NPOfonds of omroepen ondertussen ook roepen om ‘uitdagend’ en ‘gedurfd’ werk; dat zal er niet komen wanneer je makers in een keurslijf hebt leren functioneren.

Recent hoorde ik een oud-Filmacademiestudent zich vertwijfeld afvragen waarom ze die opleiding had gevolgd als ze daarna jaren in de file voor de subsidiepotten stond alvorens aan de slag te kunnen. Ze verlangde naar vrijheid en keek met jaloezie naar leeftijdgenoten die als selfmade filmmakers op het net furore maken met hun eigen vlogs.

Filmmakers zijn er niet om studietrajecten, financieringsroutes en slots te vullen; het systeem zou in dienst van de makers moeten staan, en niet andersom.

Film ontleent haar maatschappelijke waarde niet aan het aantal bezoekers dat zij trekt of de economische activiteit die zij genereert, maar aan haar niet-meetbare artistieke vermogens om ons wakker te schudden, in het gezicht te slaan en bewust te maken van de wereld waarin wij leven.

Door film tot koopwaar te reduceren en haar instrumenteel te maken aan andere doelen –
als citybranding, reclamevehikel of ‘verbinder’ van verschillende groepen – wordt haar die autonome kracht ontzegd. Ze richt zich dan op de grootste gemene deler waardoor minderheidsopvattingen uit het zicht verdwijnen, conflict wordt vermeden en daarmee de kans op nieuwe inzichten. Dat werkt vernieuwing tegen en ondermijnt het kritisch vermogen van de sector, en in diens verlengde: dat van onze samenleving.

Ondertussen neemt de behoefte aan hypeoverstijgende verhalen alleen maar toe. Filmverhalen verhouden zich niet in de eerste plaats tot nieuwe technologische of economische mogelijkheden, maar tot de werkelijkheid of de fictie van de maatschappij waarvan ze deel uitmaken. Juist in een samenleving die zo snel verandert als de onze, hebben we verhalenvertellers nodig die zich daartoe kunnen verhouden; die uitzoomen, grote lijnen schetsen, mythes doorprikken of nieuwe creëren, die een alternatief bieden,
juist nu anderen dat nalaten. Maar dat lukt pas als makers zich bewust zijn van het systeem waarin ze functioneren, zodat ze zich daar kritisch toe kunnen verhouden.

Cultuurfilosoof Thijs Lijster beschrijft in zijn essaybundel ‘De grote vlucht inwaarts’ (2016)
treffend hoe het moderne cijferfetisjisme met zijn op zichzelf gerichte blik een statische
maatschappij oplevert die op meetbare korte termijndoelen is gefocust en op het bevestigen van gevestigde ideeën. De historicus Yuval Noah Harari kaart in zijn boek Homo Deus (2015) aan hoe een ijl geloof in data de mensenwereld geruisloos over dreigt te nemen, maar wijst tegelijkertijd op het belang van verhalen, die ons bestaan richting en inhoud kunnen geven.

Ik denk dat de enige manier waarop de Filmacademie zich in de toekomst nog kan onderscheiden is door hofleverancier te willen worden van verhalenvertellers die zich op dat niveau rekenschap geven van wat er in ons dagelijks leven gaande is. Ook omdat nieuwe technische en economische mogelijkheden allang worden benut door selfmade filmers, vloggers en ‘influentials’ die online opereren. Die hebben geen opleiding meer nodig om Filmacademiestudenten links en rechts in populariteit en sensationaliteit te passeren.

De Filmacademie kan zich daar alleen van onderscheiden als ze de diepte of de hoogte in gaat, met het opleiden van kritische verhalenvertellers met een inhoudelijke visie op film en de samenleving waarin zij opereert. Om dat soort filmmakers te kweken, is een Filmacademie nodig die een visie heeft op wat film als verhalenverteller vermag. Op de rol die film speelt in onze maatschappelijke omgeving als kritische beobachter, in plaats van echoput van louter particuliere beslommeringen. Niet het ontwikkelen van zelfbewustzijn moet het streven zijn, noch dat van een Umfeldbewustzijn
over economische of technologische trends; beiden zijn slechts instrumenteel.

Mondige filmmakers afleveren met een wijds en kritisch Umwelt-bewustzijn: dat zou het doel moeten zijn. Dat is waar de Filmacademie terrein te winnen heeft: in haar inhoudelijke kwaliteit als opleider van verhalenvertellers.Door haar studenten te leren beter onderlegde en doordachte verhalen te vertellen over
ontwikkelingen die de waan van de dag overstijgen.

Ik denk dat we het zicht daarop door alle dagelijkse beslommeringen uit het oog
verloren zijn. Met de herijking van het Filmacademiecurriculum doet zich een uitzonderlijke kans voor om in die lacune te voorzien.

In de praktijk betekent dat: blinde vlekken in kaart brengen, actief ondervertegenwoordigde groepen werven, het Eurocentrisme loslaten, stelselmatig buitenlandse cineasten als gastdocenten uitnodigen, protocollen terzijde schuiven, filmconventies overboord gooien, studenten aanmoedigen zowel letterlijk als figuurlijk over de grens te denken en te filmen, visuelere vertelvormen te ontwikkelen, minder meetbaar te werk gaan, discussies aan te gaan, machtswoorden of dwingende voorwaarden uit te bannen, te luisteren naar de behoefte van individuele studenten en daar dienstbaar aan willen zijn, maar bovenal: filmstudenten veel meer over (film)- geschiedenis, literatuur en filosofie te leren zodat zij de wereld waarvan zij deel uitmaken met vele verschillende brillen kunnen bezien. Het maken van een speelfilm is tenslotte een traag proces dat zich uitstekend leent voor diepgravender beschouwingen in tijden van cijferfetisjisme en prikkel-overload.

Mondige makers opleiden dus! Geen lopendebandwerkers in de pindakaasfabriek.
Leer die aspirant-filmmakers niet te functioneren als radertjes in een systeem,
maar leer ze het systeem te zien voor wat het is, – de functie die het heeft in onze samenleving – zodat ze zich daar kritisch toe kunnen verhouden, of nog beter: uit weten te ontsnappen. Zodat hun vrije kunstenaarsgeest de ruimte neemt om ons te trakteren op onvoorstelbaar ongerijmde, subversieve speelfilms die zowel ons begrip van de realiteit als onze verbeelding tarten.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in cultuursubsidie, filmfonds, filmmakers, filmsector, Geen categorie, in de media, opinie en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s