Wordt de cash rebate regeling gekaapt?

Naar aanleiding van ons eerdere artikel “Filmstimuleringsmaatregel aanwenden voor televisieseries?”, bereikte ons het bericht dat het plan, om televisieseries gebruik te laten maken van deze cash rebate, al klaar ligt bij OCW. Een verontrustend bericht. Deze aanpassing van de regeling is in ons idee niet in het belang van Nederlandse filmmakers en producenten en ook niet in lijn met het uitgangspunt van de regeling.

We hopen daarom dat het bericht niet klopt. Aan de andere kant vangen we ook signalen op dat de sector de regie over de regeling kwijt is en in het algemeen weinig invloed heeft op reglementen. Afgevaardigden van de filmsector horen voortdurend dat door hen voorgestelde maatregelen niet realistisch zijn omdat ze niet in het reglement passen of niet goedgekeurd zullen worden door Brussel. En nu ineens kan een heel reglement worden omgegooid? Het zal inderdaad niet de eerste keer zijn dat er nieuwe regels komen waar een deel van de makers ongelukkig over is.

Hoe heeft het toch zover kunnen komen? Er is toch toezicht?

Een reconstructie.

WAAROM KREEG DE FILMSECTOR EEN CASH REBATE MAATREGEL?

In 2013 werd de filmsector geconfronteerd met extreem forse cultuurbezuinigingen. De sector moest wel in actie komen. Regisseurs, scenarioschrijvers en producenten, aangevuld met internationaal opererende makers, startten een lobby voor een nieuwe stimuleringsmaatregel voor de Nederlandse film. De sector had niet alleen te maken met een wel heel schraal financieringsklimaat, er vloeide ook productiegeld en talent weg naar het buitenland vanwege de daar gehanteerde stimuleringsmaatregelen.

Tijdens de filmtop van 11 april 2013 stonden dan ook twee belangrijke onderwerpen op de agenda.

  1.  Maatregelen waarmee de overheid de besteding gaat stimuleren van productiekapitaal in Nederland door nationale en internationale filmproducenten. De filmindustrie in Nederland zou hiermee een impuls krijgen.
  2. Een grotere bijdrage van exploitanten – waaronder bioscoopexploitanten, kabelmaatschappijen en telecombedrijven – aan het productiebudget van Nederlandse films.

De intensieve lobby leidde ertoe dat Tweede kamerleden Vera Bergkamp en Jacques Monasch een motie indienden. Ze vroegen de minister te onderzoeken hoe een economisch stimuleringsprogramma, zoals bijvoorbeeld een tax-shelter, voor de Nederlandse filmindustrie moet worden ingericht om een maximale positieve bijdrage te leveren aan het productieklimaat voor films in Nederland.
Minister Jet Bussemaker antwoordde hierop in een brief aan de kamer op 31 oktober 2013 :

Naar aanleiding van de filmtop heeft het ministerie van Economische Zaken – in lijn met een recent rapport van de Filmproducenten Nederland – geconstateerd dat het bestaande financieringsinstrumentarium van het ministerie van Economische Zaken geen oplossing biedt voor het aangedragen knelpunt (Note: met knelpunt wordt het wegvloeien van productiekapitaal bedoeld. De grotere bijdrage van exploitanten viel buiten het bereik van de motie). Dat instrumentarium is namelijk gericht op het verbeteren van de toegang tot private financiering voor bedrijven, terwijl bij filmproducties vaak een tijdelijke vennootschap wordt opgericht voor de duur van een filmproject. Daarnaast is er slechts beperkte bancaire interesse voor de financiering van filmproducties. De bedrijven die werk uitvoeren voor filmproducties, zoals postproductiebedrijven kunnen overigens wel gebruik maken van het EZ-instrumentarium om hun concurrentiepositie duurzaam te versterken.

Het ministerie van OCW erkent in de brief dus dat het reeds bestaande financieringsintrumentarium van het ministerie van EZ geen oplossing biedt voor de specifieke financieringsproblemen van film en verder merkt de minister nog iets anders belangrijks op: Facilitaire filmbedrijven (zoals postproductiebedrijven) kunnen wèl gebruik maken van het door Economische zaken ingestelde generieke instrumentarium. Dit instrumentarium helpt ondernemers te investeren in kennis en innovatie, verlaagt de lastendruk en geeft ze beter toegang tot privaat kapitaal via garanties en kredieten.

M.a.w. Facilitaire bedrijven hebben via Economische zaken een eigen stimuleringsmaatregel en zijn dus niet het uitgangspunt voor de cash rebate.

In de brief onderzoekt de minister vervolgens drie stimuleringsmaatregelen die een oplossing zouden kunnen bieden; de taxshelter maatregel en twee rebate maatregelen. Hierbij worden cash rebate en tax rebate omschreven als

maatregelen die de kosten drukken die een producent maakt voor het produceren van een film en de financieringsmogelijkheden voor filmproducties vergroten.

Bussemaker eindigt haar brief met de volgende conclusie :

Conclusie
……. De invoering van een tax shelter, zoals u in uw motie noemt, biedt voor de filmindustrie geen efficiënte oplossing voor de aangedragen problematiek. Wij raden deze ook af vanwege de hoge structurerings-, beheers- en uitvoeringskosten. Wij zien in een filmspecifieke stimuleringsmaatregel in de vorm van een rebate een betere oplossing voor de aangedragen problematiek.

De brief van minister Bussemaker gaf op dat moment dus geen aanleiding om de regeling open te stellen voor televisieseries noch om Nederlandse facilitaire filmbedrijven internationaal op de kaart te willen zetten.

Ondertussen is de urgentie voor de in 2014 ingestelde filmstimuleringsmaatregel, anno 2017 nog altijd even hoog, door het lage marktaandeel van 2016. Het is des te opmerkelijker dat de directeur van het Nederlands Filmfonds in het Volkskrant artikel de maatregel niet langer als filmspecifiek lijkt te zien, maar dat ze deze heeft verschoven naar algemeen economisch.

Dat het doel van de regeling op een gegeven moment uit het oog verloren zou kunnen worden, realiseerde de sector zich niet in 2014.  Makers en producenten haalden destijds opgelucht adem. Er was weliswaar weinig terecht gekomen van de wens om exploitanten een grotere bijdrage te laten leveren aan de productiekosten van de Nederlandse film, het voelde toch als een overwinning toen op 19 mei 2014 het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland werd gepubliceerd. De sector zou tot 30 april 2020 verzekerd zijn van extra geld en dus gingen producenten en makers weer aan het werk. Er moesten films gemaakt worden, soms ook in het buitenland.

En de uitvoering van de regeling? Die lieten ze over aan het Filmfonds.

CASH REBATE NIET VOOR LOW BUDGET FILMS ?

Bij het publiceren van de regeling bleken er wat vreemde elementen in het reglement geslopen te zijn. Niet alleen was het reglement een indrukwekkend bouwwerk van eisen geworden (bij sommige eisen vraag je je zelfs af of deze niet in strijd zijn met de Algemene wet bestuursrecht) en verder bleek de zogenaamde low budget film geen gebruik te kunnen maken van de regeling.

En waarom niet? Low budget films vallen toch gewoon onder het uitgangspunt en doelstelling van de regeling? Ze maken de sector innovatief en flexibel. Met deze films kunnen er filmische experimenten uitgevoerd worden voor niet al te veel geld. Ze bieden kansen aan beginnend- en gevestigd talent om zich met grote artistieke vrijheid te ontwikkelen en soms bereikt een film ook nog het grote (zelfs internationale) publiek.

Er werd vanuit de sector dan ook geprotesteerd tegen deze aanpassing maar tot op heden zonder resultaat. Het Nederlands Filmfonds hield voet bij stuk met de argumenten dat low budget films in omringende landen ook niet onder filmstimuleringsmaatregelen vallen (zie Volkskrantartikel), dat deze films bovendien onvoldoende kapitaal zouden kunnen uitgeven in Nederland en dat het de werkdruk op het fonds te veel zou vergroten. Stuk voor stuk argumenten die niet standhouden. Landen, die vergelijkbaar zijn met Nederland, zoals België en Denemarken kennen bij hun semiautomatische regelingen geen ondergrens. En of je nu een grote of kleine film maakt en of de crew nu wel of niet voor een appel en een ei werkt, uiteindelijk wordt er gewoon geld uitgegeven. En wat de werkdruk betreft, misschien dat het bouwwerk aan regels, dat het Filmfonds zelf heeft ontworpen, eerst wat vereenvoudigd kan worden?

Na verloop van tijd begon het Filmfonds ook nog enthousiast te doen over buitenlandse producties die hier in Nederland neerstrijken. In ons vorige artikel kaartten we al aan dat dit helaas de kwaliteit van de Nederlandse film niet verhoogt. Natuurlijk, sommige facilitaire bedrijven worden door het samenwerken met buitenlandse filmmakers professioneler, maar deze facilitaire bedrijven worden ook duurder en belangrijker nog; ze kunnen gebruik maken van een andere generieke stimuleringsmaatregel.

Dat het ondersteunen van facilitaire bedrijven ineens een speerpunt is geworden in de hard bevochten filmspecifieke stimuleringsmaatregel en dat het Filmfonds er ook nog enthousiast over is, is echt geen goed teken. Het is bovendien schrijnend dat low budget films, films die onder de doelstelling vallen van de regeling, niet worden toegelaten terwijl er nu wel een vergevorderd plan ligt om televisieseries toe te laten. Hiervoor moet het reglement volledig overhoop gehaald worden omdat in de huidige regeling nadrukkelijk vermeld wordt dat ze bedoeld is voor speelfilms, documentaires en animatiefilms en dat mediabedrijven niet in aanmerking komen.

Met de voorgestelde aanpassingen zullen bedrijven die in wezen geen financiële steun nodig hebben omdat ze gebruik kunnen maken van een andere regeling of omdat ze enorm veel financieringsmogelijkheden hebben,  geld gaan ontvangen dat bedoeld is voor het maken van films die regisseurs, scenarioschrijvers en producenten graag willen kunnen maken. Elke zichzelf respecterende sector staat bij de gedachte alleen al op zijn achterste benen.

ER IS TOCH EEN EVALUATIE ?

De besteding van het geld is toevertrouwd aan het Filmfonds. Ondertussen lijkt het er wel op dat het fonds en misschien ook de ambtenaren bij OCW het belang van de makers en producenten van Nederlandse film niet goed (meer) in het vizier hebben. En helaas lijkt het er ook op dat, nu ze openlijk hun eigen invulling beginnen te geven aan de besteding van het geld, ze ook niet erg gecorrigeerd worden.

Hoe kan dit?

Het toezicht op het functioneren van het Filmfonds is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht en de Wet op het specifiekcultuurbeleid. En verder wordt in artikel 21 van het reglement van de filmstimuleringsmaatregel geëist dat er een evaluatie plaatsvindt.

Artikel 21 – evaluatie & monitoring –
Het bestuur evalueert tenminste een maal in de vier jaar de effecten van de uitvoering van de regeling
en de mate waarin deze haar doelstellingen bereikt. Voor deze evaluatie stelt het bestuur een
evaluatiecomité samen waarin tenminste drie vertegenwoordigers uit de filmproductiesector
vertegenwoordigd zijn. Daarnaast zal het bestuur jaarlijks de uitvoering van de regeling en de mate
waarin de hiermee beoogde doelstellingen worden bereikt monitoren en daarover rapporteren.

Er ligt nu dus inderdaad een rapport met de titel “MONITOR ECONOMISCHE EFFECTEN VAN DE STIMULERINGSMAATREGEL FILMPRODUCTIE IN NEDERLAND Juli 2014 – December 2016” Een rapport dat betrokken zal worden in de evaluatie die gedaan wordt door een door het Filmfonds in te stellen evaluatiecomité.

We mogen hopen dat er kritische en goed geïnformeerde mensen zitting  zullen nemen in dit evaluatiecomité want uit een analyse die we ontvingen lijkt er wel wat aangemerkt te kunnen worden op het rapport. Lees hier de analyse die we toegestuurd kregen.

De conclusie van deze analyse is dat het rapport niet onafhankelijk is, dat de groep ondervraagden niet representatief is en dat er slecht onderbouwde conclusies in staan. Als de uitvoering van de regeling in het rapport al aan bod komt, dan biedt het in elk geval geen handvat voor een verbetering van de regeling zodat deze meer in dienst zal staan van Nederlandse filmmakers en producenten.

Op deze manier is een evaluatie via het Filmfonds dus niet erg corrigerend te noemen. En als er dan ook nog een Raad van Toezicht is die niemand kent, een ministerie dat wel erg de kant van het Filmfonds lijkt te kiezen en een sector die nauwelijks naar de Algemene wet bestuursrecht durft te wijzen, dan zou je kunnen stellen dat er nog wel wat te verbeteren valt in het toezicht.

Nogmaals, laten we hopen dat de filmstimuleringsmaatregel, waar makers en producenten zo hard voor gelobbyd hebben, helemaal niet gekaapt wordt. Zelfs als dat het geval is, dan nog is het goed dat de sector in de toekomst niet alleen lobbyt voor meer geld, maar dat er ook nagedacht wordt over een echt goede en onafhankelijke controle op de besteding ervan.

In een volgend stuk doen we graag een paar aanbevelingen.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in actueel, cash rebate, cultuursubsidie, filmfinanciering, filmfonds, filmmakers, filmsector, filmstimuleringsmaatregel, geldzaken, in de media, opinie, producenten en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s