Praat meer met makers en minder met beleidsmakers. En weiger te dienen als spreekbuis

Inleiding van Afdeling Filmzaken : We hebben als makers meestal geen idee waar een advies van de Raad voor Cultuur aan moet voldoen wil het van waarde zijn, daarbij analyseren we niet vanuit het perspectief van de politiek en economie. We zijn daarom blij dat econoom en antropoloog dr. Rob Boonzajer Flaes, voormalig kroonlid van de Raad voor Cultuur, het advies nauwkeurig heeft beoordeeld en tot een aantal heldere aanbevelingen komt.

Nationale Autoriteit Openbare Profielwerkstukken

Naam kandidaat: Raad voor Cultuur, vakgroep Audiovisueel

Naam profielwerkstuk: Zicht op zo veel meer, sectoradvies audiovisueel

Samenvatting:

De kandidaat verschaft met dit profielwerkstuk een analyse van de Nederlandse audiovisuele industrie. Film neemt daarbij een centrale plek in, maar ook het omroepstelsel en nauw verwante sectoren komen ter sprake. De situatie wordt omschreven als uiterst zorgelijk. De kandidaat stelt maatregelen voor om het tij te keren. Samengevat komen die maatregelen neer op: afsluiten voor het buitenland, heffingen op buitenlandse aanbieders, centrale regie bij het verdelen van de rijksmiddelen, en een oproep tot eendrachtige samenwerking.

Algemeen

Het werkstuk ziet er verzorgd uit. De beschrijving van de situatie in de bedrijfstak is gestoeld op bij vlagen serieus wetenschappelijk onderzoek, al blijft de scope van wat kennelijk gelezen is wel beperkt tot precies de sector. Kern van het betoog is: het buitenland is zo machtig en de concentratie bij enkele grote marktpartijen is zo overweldigend dat de vaderlandse industrie tot verdwijnen is gedoemd wanneer niet krachtig wordt ingegrepen. Het is de Autoriteit opgevallen dat de kandidaat zich beperkt tot vooral de negatieve gevolgen van de geschetste ontwikkelingen. Dat die ontwikkelingen ook positieve kanten in zich kunnen dragen wordt niet waargenomen, cq niet duidelijk vermeld. De kandidaat is zich er kennelijk niet van bewust dat in sectoren als gaming, DJ’s, Dance en format-ontwikkeling vergelijkbare vormen van internationale concentratie plaatsvinden, maar dat Nederland daarbij juist tot de internationale voorhoede behoort. Voor de ronduit alarmistische toon die de kandidaat bezigt zien wij dan ook geen grond. Die toon past wel in een pamflet, maar niet in een serieuze analyse.

De kandidaat heeft zich tot doel gesteld, in een Gesamtkunstwerk de complete AV-keten te beschrijven en van commentaar te voorzien. Opleiding, educatie, samenwerkingsvormen – het komt allemaal aan bod. Dat is op zich lovenswaardig, maar toch knaagt hier iets. Het zijn allemaal randverschijnselen, die pas van waarde worden wanneer de bedrijfstak begint te draaien.

Als wij ons een kleine analogie mogen veroorloven: het is als een nieuw ontworpen auto waarbij het complete interieur uitputtend wordt uitgetekend. Van asbakjes tot handrem, achteruitkijkspiegeltjes en vanity box. Het staat allemaal op papier. Het ziet er keurig uit en er valt weinig op aan te merken.

En toch gaat die auto nooit ergens komen. Want er zit geen motor in.

Vertaald in termen van de AV-industrie: de centrale engine die de bedrijfstak vooruit kan helpen ontbreekt in de analyse. In de bespreking van het werkstuk laten wij de randverschijnselen voor wat ze zijn. We concentreren ons op de centrale engine. De motor van de AV-industrie. Die moet eerst gaan lopen. Pas dan is er ruimte voor de rest.

Protectie

De voorgestelde maatregelen zijn in grote lijnen grotendeels terug te voeren op protectie: bouw een beschermende ring om de Nederlandse audiovisuele industrie. Zorg dat het boze buitenland ons gaat betalen. Zandzakken voor de deur, daar komen de Amerikanen! Sla de handen ineen, voor het grotere goed van de onze nationale identiteit, onze unieke Nederlandse eigenheid.

Deze vorm van cultureel nationalisme komt ons als Autoriteit wat gedateerd over. Die benadering was nog zeer en vogue in de negentiende eeuw, maar is inmiddels in vrijwel alle kunstvormen verlaten. Voor een open handelsnatie als Nederland beoordeelt de Autoriteit dit benadrukken van nationale eigenheid dan ook als volkomen achterhaald. Die grenzen zijn niet een oplossing – die grenzen zijn juist het probleem. Die zandzakken gaan ons niet helpen: ze kosten een hoop geld, en ze laten de klap des te harder aankomen wanneer het zand door de onstuitbaar wassende vloedstromen is weggespoeld. Dan is er niks meer.

De Autoriteit acht het op zich niet verkeerd, nationale belangen te verdedigen. Maar protectie vormt een buitengewoon ineffectieve cocktail om de Nederlandse AV-industrie uit de aangegeven impasse te halen. Protectie vindt haar ratio vooral in gevallen als infant industry protection, als een wapen tegen dumping of als een onderdeel van grotere handelsbewegingen – is dat hier aan de orde? Waar we hier eerder voor op moeten passen is dat protectiemaatregelen al heel snel tot waardevermindering, verlies van banen en het tegenhouden van herstructurering leiden. Kennelijk had de kandidaat geen economen ingeschakeld bij het profielwerkstuk.

Wij zien dan maar even door de vingers dat deze vormen van protectie alleen onder nauw omschreven voorwaarden zijn toegelaten binnen de regelgeving van de EU. De kandidaat gaat hier in onze ogen vrij luchthartig mee om. Met de hier geboden argumentatie komt Nederland zonder enige twijfel in de gevarenzone: dan is (wederom) een veroordeling wegens ongeoorloofde staatssteun of kartelvorming vanuit Brussel bijna voorgeprogrammeerd. Gelukkig wordt er in Brussel niet al te veel Nederlands gelezen.

Realiteitszin

De kandidaat stelt voor, succesvolle buitenlandse bedrijven te belasten met 50 mln. op jaarbasis. Laten we het geld halen waar het is, dat is kennelijk het motto. Het bedrag is verder niet onderbouwd – je zou ook kunnen proberen er 500 mln. van te maken. Of 5.

Wat hier vooral opvalt is het volstrekte gebrek aan realiteitszin – het verzoek van het ministerie daarmee juist rekening te houden is door de kandidaat kennelijk niet opgemerkt, of in ieder geval niet opgevolgd. Heffingen op succesvolle buitenlandse bedrijven in een land waar een net aangetreden kabinet op jaarbasis anderhalf miljard heeft teruggegeven in belastingvrijstellingen, uitgerekend aan het soort bedrijven die deze heffing zouden moeten betalen? En nu als oplossing voor de vaderlandse AV-industrie komen met het advies om belet te vragen bij de de Netflixen, Apples, Googles en Amazons van deze wereld? Om ze te zeggen dat ze op last van dit profielwerkstuk vijftig miljoen moeten ophoesten? Op jaarbasis? Wel fijn dat Netflix uitgerekend in Amsterdam zo heerlijk van de belastingvrijdom kan genieten. Dat voorkomt in ieder geval dat de reiskosten voor deze mission impossible te hoog oplopen.

Gelukkig ziet de kandidaat zelf ook wel in dat dit een wat onwaarschijnlijk scenario is. Vandaar waarschijnlijk het voorstel dat de Nederlandse staat dat bedrag maar even moet voorschieten. Het realiteitsgehalte van deze tournure laten wij verder onbesproken.

Een businessplan

Een sluitend overzicht over de bestemming en de inverdienmogelijkheden van deze steunbedragen hebben wij niet aangetroffen. In onze ogen is dat merkwaardig: men mag bij dergelijke investeringsvolumes toch verwachten dat er een plan aan ten grondslag ligt. Bij voorbeeld: hoe met deze (imaginaire) extra middelen de door de kandidaat geconstateerde problemen van de AV industrie kunnen worden aangepakt. Dat er – bijvoorbeeld – films worden gemaakt die meer dan nu hun publiek weten te vinden, dat nieuwe producten worden ontwikkeld die kunnen meekomen in de internationale wereld, dat nieuwe verdienmodellen worden uitgeprobeerd op basis van nieuwe mogelijkheden. Dan bouw je tenminste met dat imaginaire nieuwe geld toe naar iets waardoor de Nederlandse Film zich weer kan binnenwerken in wat er aan de andere kant van die zelf opgeworpen dijken gebeurt. Zodat die zandzakken op een gegeven moment weer kunnen verdwijnen.

Maar precies over die onderwerpen is weinig tot niets te vinden. De maatregelen die nodig zijn om de herstructurering in de vaderlandse AV-industrie van de grond te krijgen staan er niet in, en een logisch einde aan het (imaginaire) heffingenprogramma staat al evenmin op de agenda. Dit is uiterst onbevredigend. Wie denkt de kandidaat hiermee nou toch te overtuigen?

Een beheersplan

Een volgende punt van belang is het beheer van al dat imaginaire geld. Wie moet dat geld beheren? Hoe gaan we er mee om?

Hier wordt een vorm van centrale regie opgevoerd. Een soort van Nationale Filmautoriteit (onze term, red.) die wordt gevoed door de genoemde heffingen, en waar het bestaande Filmfonds in opgaat. Ook de omroepen sluiten zich daarbij aan. Op die manier kan de nationale audiovisuele slagkracht ontstaan die tot nu toe kennelijk zo node heeft ontbroken.

Het moet ons van het hart dat dit systeem ons erg bekend voorkomt. Het bestaat namelijk al. Er is al een enkel nationaal Filmfonds waarop de complete nationale filmindustrie is aangewezen, er is al een stelsel van centraal gefinancierde publieke omroepen die in bijna alle gevallen voorwaardelijk zijn om een productie tot leven te brengen. Voeg er aan toe dat het Filmfonds zich als adviseur, medelezer, aanjager en beoordelaar over al dan niet toekennen vaak tot in detail bemoeit met zo goed als iedere vorm van filmproductie. Dan moet ons toch van het hart dat er in termen van centrale regie niets meer te verbeteren valt (of te verslechteren – dit net hoe je er naar kijkt). En als dat systeem nu heeft geleid tot een zo dramatische positie van de Nederlandse filmindustrie als de kandidaat het doet voorkomen – zou het dan niet van wijsheid getuigen even te bezien of je het niet anders moet aanpakken? Al was het maar als een exercitie om de geest te scherpen?

De kandidaat zegt in feite: we hebben een beheerssysteem dat de Nederlandse filmindustrie niet op de benen heeft gekregen, en nu zoeken we investeerders om daar iets aan te doen. En wat gaan we dan dan veranderen, zodat het na die investeringsinjectie wel gaat werken? Nou – niks eigenlijk. Behalve dat het om hogere bedragen gaat. Als Autoriteit beoordelen wij deze benadering als: zeer zwak. Wij verwachten niet dat veel financiers zich op die manier laten overtuigen.

Nationale samenwerking

Werk samen – dat is de belangrijkste leus die de kandidaat aan de Nederlandse filmindustrie wil voorhouden. Op zich zal waarschijnlijk niemand bezwaar hebben tegen samenwerking, en wij als Autoriteit kunnen ons zeker in die oproep vinden. Maar waarom die samenwerking nu uitgerekend gebonden moet zijn aan onze landsgrenzen wordt niet duidelijk gemaakt. Zou het echt niet beter zijn je samenwerkingspartners te zoeken op die plaatsen waar die samenwerking iets oplevert? In Nederland als dat nuttig is – akkoord. Met buitenlandse partners als je dat betere perspectieven biedt – why not. In internationale consortia als je internationaal wilt meetellen – natuurlijk. In de VS als je hier geen lucht meer kunt krijgen – check check. Het zijn niet de allerminsten die deze route hebben gekozen. En waarom ook niet? De kandidaat geeft geen enkel argument waarom de Nederlandse professionals zich van dat soort mogelijkheden zouden moeten afkeren.

Wij kunnen alleen maar gissen naar de beweegredenen voor deze benadering, maar op zich past een oproep tot nationale saamhorigheid natuurlijk uitstekend bij de verdere oplossingen die de kandidaat aandraagt. Als de dijken om ons nationale erfgoed maar hoog genoeg worden opgetrokken zie je inderdaad alleen nog elkaar. Want partners van buiten komen niet over die muur heen – die heb je netjes achter de zandzakken gehouden. Dus dan kun je op een gegeven moment alleen nog steun zoeken bij de vaderlandse collega’s die net als jijzelf van de buitenwereld zijn afgesloten. Het is ongetwijfeld bedoeld als een vriendelijke steun in de rug – maar with friends like this, who needs enemies?

En als u dan al wilt bepleiten dat nationale samenwerking de hoeksteen van de industrie moet worden – dan verwachten wij als kritische lezer toch ten minste een indicatie, hoe we dat voor ons moeten zien. Het gaat in deze bedrijfstak om letterlijk duizenden vaak slecht betaalde freelancers in een omgeving die (op nationale schaal) geheel wordt gedomineerd door producenten. Zij bepalen de dagprijzen en ze ontvangen het leeuwendeel van de subsidies. Dit omdat onze enige nationale financier nu eenmaal als axioma hanteert dat het investeren in producenten de enig juiste weg is. Hoe moet samenwerking onder die omstandigheden dan functioneren? Wie met wie, en waarom? Alle freelancers per beroepsgroep samen om betere contracten te kunnen afdwingen bij de producenten? Alle producenten samen ombouwen tot een enkele major? Alle filmers bij elkaar in een gigantisch stadion?

Het is ons niet duidelijk geworden of de kandidaat zelfs maar beseft hoe die samenwerking er uit zou moeten zien. Wij geven dan ook het volgende in overweging. Ofwel u beschrijft klip en klaar wat voor samenwerking u precies voor ogen hebt. En als u dat niet weet te verwoorden is het wellicht beter, dit onderwerp te laten rusten.

Eindoordeel

De Nationale Autoriteit Openbare Profielwerkstukken heeft kennis genomen van het profielwerkstuk: Zicht op zo veel meer

van kandidaat: Raad voor Cultuur, vakgroep Audiovisueel

Het judicium is:

Onvoldoende.

Het advies:

Dit werkstuk is niet te herstellen. Wij geven de kandidaat in overweging, bij de eerstvolgende gelegenheid een volstrekt andere benadering te kiezen. Wellicht dat de adviezen over regionale cultuurprofielen en instellingsaanvragen hier een kans bieden. In de tussentijd kan worden geïnvesteerd in een grondige heroverweging, waarbij de hierboven aangevoerde tekortkomingen voor de toekomst worden ondervangen. Wij geven daarenboven in overweging, voorstellen te ontwikkelen waarmee de Nederlandse filmindustrie wordt toegerust op de eisen van de toekomst. Een aantal suggesties: voer meer gesprekken met makers en minder met beleidsmakers, weiger te dienen als spreekbuis van belangenvertegenwoordigers, laat de gedachte los dat wat nu niet goed functioneert zal verbeteren door er meer geld in te stoppen, zorg voor ruimte en ontwikkelingsmogelijkheden bij makers die nieuwe expressiemiddelen, nieuwe samenwerkingsvormen en nieuwe financieringsmodellen kunnen en willen uitproberen, durf veel meer risico’s te entameren. En haal die zandzakken helemaal weg.

En nu u toch nog even de tijd hebt: leest u toch eens een goed boek. Mogen wij De Barbaren van Alessandro Barrico eens in uw belangstelling aanbevelen?

Amsterdam, 29 maart 2018

De voorzitter,

Dr. R.M. Boonzajer Flaes

Econoom en antropoloog. Voormalig kroonlid Raad voor Cultuur. Voormalig UHD antropologie bij de UvA. Bouwpastoor bij onder meer Binger Filmlab, SICA, ATANA, Cultuureducatie Amsterdam. Zelfstandig onderzoeker voor OCW, Filmfonds, AFK, EYE, SICA, WMFN, Mondriaan Stichting, FAPK, en vele kleinere culturele organisaties. De laatste jaren actief als commissaris bij het DRONGO Talenfestival.
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in cultuursubsidie, filmbeleid, filmbeleid na 2020, filmfinanciering, filmfonds, filmmakers, filmsector, filmstimuleringsmaatregel, opinie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Praat meer met makers en minder met beleidsmakers. En weiger te dienen als spreekbuis

  1. Pingback: Artikel | Trends & Ontwikkelingen 10 april 2018 - Mestmag.nl

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s