Media- en cultuurbeleid gericht op producenten dient niet automatisch ook de belangen van de makers

In 2016 hebben de minister en staatssecretaris van OCW de Raad voor Cultuur gevraagd om advies uit te brengen over verschillende sectoren zodat nieuw cultuur – en media beleid ontwikkeld kan worden voor de periode na 2020. Hiervoor werden kerncommissies samengesteld waarin deskundigen zitting hebben die per sector een brede visie ontwikkelen. Dit is ook gebeurd voor de audiovisuele sector. Er werd gevraagd om de audiovisuele sector herkenbaar in kaart te brengen en een antwoord te formuleren op de volgende onderzoeksvragen:

  • Wat is er nodig om pluriforme en kwalitatief hoogstaande Nederlandse culturele audiovisuele content te stimuleren, gezien het veranderende medialandschap?
  • Wat is er nodig om te zorgen dat deze content toegankelijk is en het publiek bereikt, ook internationaal?

HET ADVIES ZICHT OP ZO VEEL MEER

Op 22 februari 2018 bracht de Raad voor Cultuur zijn advies uit aan de nieuw aangestelde ministers van OCW: Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, Media) en Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

Kortweg houdt het advies het volgende in:

  • Een systeem met heffingen op exploitanten en quota voor Nederlandse content
  • een overkoepelend AV Fonds en
  • één herkenbaar on demand platform.

De Raad voor Cultuur laat op zijn site weten dat hij hiermee beoogt dat makers in de Nederlandse audiovisuele sector zich met deze maatregelen beter staande kunnen houden te midden van de ongekende dynamiek die de komst van (media)bedrijven zoals Netflix, Google, Facebook, Apple en Amazon heeft veroorzaakt. Dit soort buitenlandse bedrijven moet mee-investeren in Nederlandse culturele audiovisuele producties.

Afdeling Filmzaken heeft het advies Zicht op zo veel meer gelezen en merkt als eerste op dat het advies zich richt op de producenten van audiovisuele content. Dit is waarschijnlijk ingegeven door de gedachte dat beleid gericht op producenten automatisch de belangen dient van de makers. Helaas is dat niet het geval. Bovendien wordt hiermee de rol ontkent die de driehoek als geheel – de scenarioschrijver, regisseur en producent – speelt bij het ontstaan van onze media- en filmcultuur. Het is namelijk niet de producent die in zijn eentje eindverantwoordelijk is voor de kwaliteit van films en televisieprogramma’s, dat is hij samen met de scenarioschrijver, regisseur, acteurs en andere makers.

Overigens: De producent is volgens de Auteurswet geen maker. In art. 45a lid3 AW staat: De producent is de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de totstandbrenging van het filmwerk met het oog op de exploitatie daarvan.

Wanneer beleid pluriforme en kwalitatief hoogstaande Nederlandse culturele audiovisuele content wil stimuleren, dan zal het in elk geval ook moeten zorgen dat film- en televisiemakers goed kunnen functioneren en dat hun talent tot zijn recht kan komen.

Nog afgezien van de vraag of quota en heffingen in het algemeen wenselijk zijn, garanderen deze niet automatisch dat makers zich hiermee staande zullen kunnen houden. Daarvoor is meer nodig. Zie het rapport ‘Passie gewaardeerd’ dat dezelfde Raad voor Cultuur in samenwerking met SER in 2017 publiceerde. Hierin wordt geconstateerd dat de financiële positie van filmmakers bijzonder slecht is. Het recente advies van de Raad voor Cultuur besteedt hier geen aandacht aan en biedt hiervoor ook geen oplossingen.

Verder viel het ons op dat de raad de nadruk legt op gevaren en bedreigingen en niet op de mogelijkheden die grote platforms zoals Netflix kunnen bieden. Tijdens de presentatie van het advies benadrukte een geïnterviewde producent dat de Nederlandse audiovisuele sector inmiddels wel gewend is aan grote veranderingen: de komst van kleurenfilm, geluid, televisie en DVD; en dat de veranderingen van de afgelopen jaren in wezen in deze rij passen. De belangrijkste vraag zou dus moeten zijn hoe we op de juiste manier kunnen inspelen op de nieuwe ontwikkelingen en hoe we goed gebruik maken van nieuwe mogelijkheden.

In dit artikel gaan we kort in op de analyse die de raad maakt, nemen we een aantal uitspraken van de raad onder de loep en beoordelen we of de sector met de voorgestelde maatregelen inderdaad beter kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen.

ANALYSE VAN DE RAAD

De raad schetst in zijn advies een medialandschap waarin weinig ruimte over zal blijven voor Nederlands audiovisueel product. Grote marktpartijen drukken Nederlandse films en programma’s weg in een winner takes all-markt waardoor deze nauwelijks nog in staat zullen zijn hun publiek te bereiken.

Het gevaar dreigt dat de Nederlandse audiovisuele sector in een neerwaartse spiraal belandt. Met minder middelen zijn kwaliteitsproductie in de gewenste hoeveelheden en innovatie moeilijker te realiseren. Verlies aan relevantie en marginalisering van het Nederlandse audiovisuele product liggen dan in het verschiet.

Onder verwijzing naar prestaties van Nederlandse films op internationale festivals concludeert de raad dat de kwaliteit nog steeds hoog is. Nederlandse televisieprogramma’s presteren inderdaad op dit moment nog steeds goed, maar de Nederlandse film heeft te maken met een tanende aandacht van het publiek. Volgens de raad zou dit te wijten zijn aan die winner takes all-markt die leidt tot een gebrek aan geld en tijd waardoor een gedegen ontwikkeling van nieuwe content erbij inschiet en er weinig mogelijkheden zijn om het product onder de aandacht te brengen van het publiek.

Maar klopt dit?

We denken van niet.

Natuurlijk, meer geld en marketing zullen zeker helpen om aandacht te krijgen voor Nederlandse audiovisuele content, maar Nederlandse films hebben ondanks een promotiebudget, de aanwezigheid van het Filmfonds, producenten en filmmakers op de rode loper van toonaangevende festivals de laatste jaren feitelijk nauwelijks aansprekende prijzen gewonnen. Daarbij voelt het wat makkelijk om het lage marktaandeel van de Nederlandse film te wijten aan een bioscoopsector waarin het grootste deel van de markt in handen is van drie buitenlandse concerns. Wij denken dat het aanbod van bijvoorbeeld de Nederlandse films, dat over het algemeen als weinig vernieuwend wordt gezien, ook een rol speelt bij de daling van het marktaandeel.

Het verhogen van de kwaliteit van de Nederlandse AV content verdient in onze ogen dus  aandacht. Anders kunnen we wel eisen dat er met quota meer ruimte komt voor Nederlands audiovisueel product, maar als dat product vervolgens niet interessant gevonden wordt door het publiek, dan leiden quota voornamelijk tot deprimerende lege zalen en benedenmaatse kijkcijfers.

audrey-hepburn

VERHOGEN VAN KWALITEIT

Het is goed om nog een keer te benadrukken dat voor het ontstaan van films en televisieprogramma’s de makers belangrijk zijn en dat beleid zich dus niet alleen op producenten zou moeten richten, zeker niet in dit digitale tijdperk. Media- en cultuurbeleid moet waarborgen dat scenarioschrijvers, regisseurs en alle andere makers die creatief betrokken zijn bij het maken van een film, zoals acteurs, cameramensen, artdirectors en editors goed kunnen functioneren. Dit vraagt om beleid dat voorziet in hun basisbehoeften zodat ze optimaal kunnen functioneren. In het algemeen betekent dit dat deze makers zich in vrijheid moeten kunnen ontwikkelen met technisch- en artistiek interessante middelen. Voor scenarioschrijvers en regisseurs in het bijzonder vereist dit autonomie, weten wat er met je werk gebeurt en van je werk kunnen leven. Zie ook onze homepage waar we hebben opgesomd wat in onze ogen ‘goed’ filmbeleid is dat bijdraagt aan kwaliteit.

De raad geeft niet expliciet antwoord op de vraag hoe nieuw beleid bij zal dragen aan het verhogen van kwaliteit, maar geeft hiervoor wel aan dat onder andere innovatie een vereiste is.

In cultureel opzicht gaat het erom dat niet alleen binnen gevestigde genres of naar de smaak van de meerderheid wordt geproduceerd, maar ook vernieuwende stijlen aan bod komen.

Een veel gehoorde klacht als het gaat om de Nederlandse film is dat het aanbod gedomineerd wordt door romcoms, boekverfilmingen en sequels. Helaas klopt dat. Een van de belangrijkste oorzaken is dat het aanbod van Nederlandse films in de bioscoop bepaald wordt door gevestigde producenten in samenspraak met het Filmfonds  [Zie artikel over reglementen Filmfonds] Scenarioschrijvers en regisseur kunnen alleen via deze producenten realisatiesubsidie aanvragen waardoor hun stem naar de achtergrond aan het verdwijnen is. Een zelf geïnitieerde, echte auteursfilm is nog maar voor een enkeling weggelegd.

Om de stem van filmmakers niet te laten verdwijnen, pleiten we ervoor de positie van scenarioschrijver en regisseur te versterken door hen rechtstreeks toegang te geven tot realisatiesubsidie zodat zij met een producent naar hun keuze (ook een beginnend producent) kunnen samenwerken bij het verfilmen van hun eigen verhalen. Dat past bij deze digitale tijd en zal de positie van creatieve makers op alle fronten wezenlijk verbeteren. Tijdens het maken van de film is er sprake van een grote mate van gelijkwaardigheid binnen de driehoek – scenarioschrijver, regisseur en producent. Deze gelijkwaardigheid zou daarom ook door moeten klinken in het media- en cultuurbeleid.

SAMENWERKEN AAN HET BEREIKEN VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJK DOEL

Ginger Rodgers and Fred Astaire

Het advies roept verschillende keren nadrukkelijk op tot meer samenwerking. Wij vroegen ons af waarom dit is. Zou de sector zelf niet graag willen samenwerken? Er ontstaat geen film zonder goede samenwerking; samenwerken zit filmmakers en producenten in het bloed. Het is dus in wezen vreemd dat er niet breder samengewerkt wordt binnen de sector. De vraag is dus eerder: Hoe komt het dat de sector zo verdeeld is?

Misschien dat Afdeling Filmzaken zich nog eens aan een analyse hiervan zal wagen, maar een helder geformuleerd doel van het te voeren media- en cultuurbeleid zou kunnen helpen. Wat wil de samenleving terug voor het geld dat beschikbaar wordt gesteld? Wat wordt er precies bedoeld met pluriforme en kwalitatief hoogstaande Nederlandse culturele audiovisuele content? Het advies benadrukt dit zelf ook als belangrijke voorwaarde voor een succesvol AV beleid.

Heldere doelstellingen geven houvast als het gaat om de vraag waarop beleid zich moet richten en wie waarvoor verantwoordelijk is. Ook fungeren ze als kompas voor het handelen van overheden en (semipublieke) instellingen in het cultuur en mediaveld.

Bovendien zou er een breed gedragen visie geformuleerd moeten worden op hoe doelen kunnen worden gerealiseerd. Wanneer er niet aan beide voorwaarden (doel en visie op het bereiken van het doel) voldaan wordt is het in onze ogen onmogelijk om te verlangen dat er goed samen gewerkt wordt tussen bijvoorbeeld subsidieverstrekker en aanvrager. In zo’n situatie is er immers geen enkele garantie dat partijen dezelfde kwaliteit nastreven. Een aanvrager kan denken dat hij een bijdrage levert aan een pluriforme en kwalitatief hoogstaande Nederlandse culturele audiovisuele content, maar het fonds kan dit toch heel anders zien en vervolgens de kwaliteit die de aanvrager nastreeft afwijzen. Dit leidt tot frustraties en bezwaarschriften.

ZAL DE SECTOR MET QUOTA, HEFFINGEN EN EEN AV FONDS SLAGVAARDIG KUNNEN REAGEREN OP NIEUWE ONTWIKKELINGEN?

Het invoeren van quota is misschien noodzakelijk en een groot AV fonds zal nodig zijn om  het geld te verdelen dat door de heffingen beschikbaar komt voor financiering van nieuwe content, maar het is de vraag of de sector met deze door de raad voorgestelde maatregelen wel slagvaardig kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Kan er bijvoorbeeld, zonder aandacht te besteden aan het verhogen van de kwaliteit van content – en wat daar voor nodig is -, wel een goede samenwerking ontstaan tussen exploitanten en producenten? Heffingen en een groot AV fonds zijn voor eigenzinnige autonome ondernemende filmmakers en producenten bovendien nou niet meteen het meest inspirerende dat je kunt bedenken. Terwijl een inspirerend werkveld toch een belangrijke aspect is van het doel van cultuurbeleid.

Willen film- en televisiemakers samen met producenten goed kunnen functioneren, dan horen daar goede verdienmogelijkheden bij, iets waarvoor dezelfde Raad voor Cultuur i.s.m. de SER pleit in het vorig jaar uitgebrachte rapport het advies Passie gewaardeerd. De Raad adviseert in zijn recente advies weliswaar dat internetplatforms net als bioscopen meer inzage gaan geven in exploitatieresultaten, maar ze vergeten erbij te vermelden dat film- en televisiemakers ook in staat zouden moeten zijn om mee te delen in opbrengsten. Daar wringt de schoen.

In de bioscoopsector is het gebruikelijk dat de bioscoopexploitant gegevens over bezoek en omzet deelt met rechthebbenden van de vertoonde producties. Digitale platforms zouden rechthebbenden naar de mening van de Raad ook zulke inzage moeten bieden in onder meer de omzet, het aantal abonnees (bij aanbieders van video on demand zoals Netflix), het aantal transacties (waarbij online een film wordt ‘bekeken’), het aantal Nederlandse producties en hun aandeel in de catalogus en het aantal streams of transacties van Nederlandse aanbod. Wanneer deze data voor rechthebbenden transparant zijn, krijgen zij zicht op de waarde van hun product en op de context ervan: door wie wordt het bekeken en waar kijken die nog meer naar? Dat laatste is relevant om te weten waar je op het ‘menu’ staat, zodat programmering beter wordt en de vindbaarheid van de individuele producties kan worden verbeterd door ze in de juiste context aan te bieden.

Heffingen en quota geven al met al toch ook een beetje het gevoel alsof film- en televisiemakers met hun producenten niet zelf in staat zijn om werk te maken waarvoor exploitanten graag ruimte maken en betalen. Het zal bovendien misschien leiden tot een cultuur waarin men denkt : we betalen al heffingen, waarom zouden we dan ook nog auteursrechtelijke vergoedingen gaan afdragen? Wanneer dat gebeurt dan profiteren producenten en betrokken makers niet meer zelf van hun werk, ook niet als het een succes is, want alle inkomsten lopen via het AV fonds. Op die manier verliezen makers en producenten hun zelfstandigheid, slagvaardigheid en zullen ze meer en meer afhankelijk worden van subsidie. Tot nu toe is niet bewezen dat subsidieafhankelijkheid bijdraagt aan een zelfstandig en autonome ontwikkeling van een eigen signatuur en eigenzinnigheid in de sector, terwijl dat toch voorwaarden zijn voor een bloeiende film- en televisiecultuur.

HOE NU VERDER?

De Raad voor Cultuur wil met het advies aanleiding geven voor reflectie en debat over hoe de audiovisuele sector het beste tot kwaliteit kan komen, gegeven de huidige omstandigheden, en hoe content het beoogde publiek kan bereiken.

De sector – belangenverenigingen, film-, televisiemakers en iedereen die betrokken is bij de Nederlandse audiovisuele sector – is nu dus aan zet om te reageren op de voorstellen. Het is belangrijk een levendig debat te organiseren over alternatieven en mogelijkheden voor beleid dat wel gericht is op filmmakers én producenten; dat hen op een inspirerende manier ondersteunt bij het maken van hun eigen films en televisieprogramma’s en hen mogelijkheden biedt om de wereld te veroveren, te beginnen in Nederland.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Alle berichten, debat, debat > opinie, filmbeleid > issues, filmmakers en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Media- en cultuurbeleid gericht op producenten dient niet automatisch ook de belangen van de makers

  1. Pingback: Artikel | Trends & Ontwikkelingen 20 maart 2018 - Mestmag.nl

  2. Goed verhaal!Meer macht naar Makers-
    Zorgt voor meer diversiteit en verhalen met een ziel met een handtekening van de maker(s)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s