Deel 2 | Filmbeleid door de jaren heen

Dit is deel 2 in de serie Filmbeleid | Alles wat je altijd al wilde weten

Hoe het kwaliteitsvraagstuk de samenwerking bepaalt tussen sector en fondsen

De bioscoopbond publiceert al vanaf zijn ontstaan in 1921 uitgebreide jaarverslagen, deze zijn verzameld op film-bioscoopbranche.nl. Aangezien de Bioscoopbond in 1956 initiatiefnemer was van filmbeleid en het tot ver in de jaren negentig hierbij betrokken was, hebben we dankbaar gebruik gemaakt van de site en jaarverslagen. Daarbij konden we op basis van media zoals Holland Filmnieuws, Andere tijden, NRC, Volkskrant, de Filmkrant, sites van de overheid, jaarverslagen van Stichting Nederlands fonds voor de Film (Filmfonds) en facts & figures of the Netherlands een beeld krijgen van de belangrijkste overwegingen bij het bepalen van het beleid. We hebben bovendien gekeken naar de manier waarop het beleid uitgevoerd werd. Goed beleid bepalen is belangrijk, de manier waarop het uitgevoerd wordt – de regelgeving, de mensen die erbij betrokken zijn, de kosten – is maar liefst nog belangrijker.

In dit artikel doen we verslag van hetgeen we tegenkwamen in de hoop dat er geleerd kan worden van het verleden en we een bijdrage leveren aan het verbeteren van filmbeleid en de manier waarop het wordt uitgevoerd. Kernbegrippen in het beleid hebben we vetgedrukt en op sommige momenten hebben we de ontwikkelingen voorzien van commentaar. Dit commentaar staat in een andere kleur zodat er onderscheid gemaakt kan worden tussen feit en opinie.

1956 – continuïteit voor de Nederlandse film

1956 – 1956 is een belangrijk jaar in de geschiedenis van filmbeleid. Het oprichten van een Productiefonds voor de Nederlandse film staat op de agenda van de algemene ledenvergadering van Bioscoopbond. De bond die blijkbaar een grote maatschappelijke en culturele verantwoordelijkheid voelt, heeft in het verleden al enkele maatregelen genomen om de Nederlandse film te ondersteunen. Er was kapitaal ter beschikking gesteld voor het oprichten van de Cinetone Studio’s, er werden de afgelopen jaren voorfilms vertoond zodat Nederlandse cineasten de kans kregen films te maken en hij droeg, met een garantie van circa 100.000 gulden (40% van de gemiddelde productiekosten) per film, bij in het risico dat de producent neemt. En ook het Rijk droeg bij in de vorm van een garantie van maximaal 50.000 gulden per film.  Maar de maatregelen zijn onvoldoende. Sinds de oorlog zijn er slechts 7 Nederlandse speelfilms geproduceerd met wisselend succes en van uiteenlopende kwaliteit.

Uit de toelichting op het agendapunt maken we op dat de bond constateert dat er onvoldoende initiatief is vanwege de geringe winstkans tegenover een te groot risico. Bovendien ontbreekt het aan productie-ervaring en van geschoolde scheppende krachten, ‘hetgeen wederom verband houdt met het ontbreken van regelmaat in de productie.’ De bond blijkt goed inzicht te hebben in wat er nodig is om tot een ‘goedgemaakte’ film te komen.

‘Er is practisch geen ruimte geweest voor de planning van een productie op de langere termijn, voor een verantwoorde keus van onderwerpen, voor de aankoop van rechten, voor de deskundige vervaardiging van scenario’s en draaiboeken, voor het aantrekken van bekwame regisseurs, voor de keuze en het tijdig vastleggen van artiesten en de vorming van velerlei krachten, welke rechtstreeks met de filmproductie van doen hebben, daargelaten dat in het geheel geen plaats is geweest voor het experiment, waarnaar weliswaar met Argusogen wordt gekeken, maar dat voor een gezonde ontwikkeling van de filmproductie conditio sine qua non is.’

De bond concludeert dat Nederlandse film zich alleen kan ontwikkelen wanneer er sprake is van continuïteit, dat wil zeggen dat er Nederlandse films gemaakt moeten worden in regelmatig doorlopend verband.

‘Er is voor deze (creatieve) krachten geen milieu waarin zij tot ontwikkeling kunnen komen, zelfs niet voldoende vooruitzicht op een bestaan.’

De Bioscoopbond stelt daarom voor om voorwaarden te scheppen waardoor het risico van de producent beperkt blijft, er redelijke winstkansen in het verschiet liggen en het investeren van gelden en aantrekken van potentieel op ruime termijn kan geschieden. Het op te richten fonds moet een bestaansbasis garanderen voor allen die bij de productie betrokken zijn (ook voor de scheppende krachten in de industrie) op lange termijn. Bedoeling is dat het fonds de ontwikkeling als geheel schraagt opdat voorkomen wordt dat de producent nodeloos belast wordt als gevolg van onereuze condities. Hierbij zal enige stimulering, leiding en coördinatie van activiteiten op het onderwerpelijke terrein de eerste jaren zeker niet kunnen ontberen.

Hoofddoel is het financiële risico te verzachten dat producenten lopen met het produceren van een film.

De punten die genoemd worden vormen de basis van filmbeleid. Het zijn speerpunten die ook nu niet zouden misstaan. 

De ledenvergadering van de Bioscoopbond keurt het voorstel goed en de overheid is bereid te participeren.  De Bioscoopbond brengt een startkapitaal van 300.000 gulden in en zal daarna tien jaar lang jaarlijks 200.000 bijdragen. De minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen draagt jaarlijks 225.000 gulden bij. Tijdens de bespreking van de rijksbegroting met de kamer merkt de minister op dat zij overweegt deel te nemen aan het fonds zodat de financiële basis kan worden gelegd voor drie speelfilms per jaar. Uiteraard zouden de plannen voor elke speelfilm afzonderlijk aan behoorlijke eisen van artistieke en financiële aard moeten voldoen. De werkwijze van dit fonds en de voorwaarden die gesteld worden aan producenten zouden nader in overleg worden uitgewerkt.

De noodzaak om continuïteit te garanderen voor alle betrokken partijen bij het maken van een Nederlandse film was voor iedereen duidelijk. Er werd geld beschikbaar gesteld. De uitvoering van het beleid en besteding van het geld werd in handen gegeven van het Productiefonds. Dit fonds zou moeten handelen in lijn met het uitgangspunt. Hiertoe werden statuten opgesteld. Hoewel de Tweede Kamer regelmatig vragen stelde over de kwaliteit van de Nederlandse film, speelde het kwaliteitsvraagstuk geen rol in de doelstelling. Voornaamste doel was het ontstaan van films mogelijk maken.

Het fonds wordt op 8 november van dat jaar opgericht en heet officieel Stichting Productiefonds voor de Nederlandse film, kortweg het Productiefonds. In artikel 2 van de statuten van het Productiefonds staat de doelstelling omschreven als :

‘het bevorderen van de Nederlandse filmproductie in het algemeen en de productie van Nederlandse speelfilms in het bijzonder, in hoofdzaak door het scheppen van financieel gunstige voorwaarden voor de continuïteit van die productie en wat verder voor dit doel bevorderlijk is’.

Naast het Productiefonds bestaat er op dat moment de mogelijkheid om via het ministerie  kunstzinnige en culturele films te laten ondersteunen. De minister van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen stelt in 1956 hiervoor een bedrag van 425.000 gulden beschikbaar. Het bedrag wordt besteed aan het maken van documentaires en speelfilms, waarbij de subsidie die verstrekt wordt in grootte varieert van de gehele kostprijs tot een belangrijk gedeelte ervan. De bijdragen worden verleend op advies van de Raad voor de Kunst. Deze raad beoordeelt het project vooral op inhoudelijke kwaliteiten. Deze kwaliteiten worden afgewogen tegen “de capaciteiten van degenen die met de vervaardiging zouden worden belast”.

Terzijde : De bioscoopbond signaleert in de jaren vijftig dat de heffing van vermakelijkheidsbelasting door gemeenten op gespannen voet staat met de continuïteit van de Nederlandse film. Op een enkele gemeente na – Amsterdam besluit niet meer dan 10% vermakelijkheidsbelasting te heffen – wordt er nauwelijks gehoor gegeven aan het verzoek de vermakelijkheidsbelasting naar beneden bij te stellen. De bioscoopbond blijft in de jaren die volgen keer op keer benadrukken dat de enorme bedragen die de gemeenten incasseren de draagkracht van de sector ver te boven gaan.  De vermakelijkheidsbelasting wordt pas in 1969 echt afgeschaft.

Het productiefonds heeft in de jaren die volgen in totaal jaarlijks ongeveer 500.000 gulden ter beschikking: 200.000 gulden van de NBB en 300.000 gulden van het ministerie. Het ministerie draagt via de eigen regeling ook nog zo’n 425.000 euro bij aan het maken van films (documentaires en vooral korte films).

1960 – 1977 Nederlandse film valt en staat op

1960 – Het bestuur van het productiefonds pleit er in 1960 voor om het budget van het productiefonds te verhogen zodat de continuïteit en daarbij noodzakelijke risicovermindering voor filmproducenten nog beter verwezenlijkt kunnen worden. Ook scenarioschrijvers kunnen zelfstandig, zonder producent, bijdragen aanvragen voor het schrijven van een scenario.

‘Ook bereikten het bestuur weer verzoeken van scenaristen om een voorschot ten behoeve van het uitwerken van een scenario. Gezien de dringende behoefte aan een goede scenario’s voor speelfilms en de tot heden met de voorschotverlening bereikte resultaten – meerdere scenario’s waarvoor een voorschot is verstrekt zijn reeds verfilmd – bleef het bestuur op het punt van het stimuleren van het schrijven van scenario’s actief en verleende met het oog daarop een zestal voorschotten.

Het fonds heeft de intentie om slechts de helpende hand (financieel) te bieden zodra plannen worden ingediend die een redelijke kans van slagen hebben. Het bestuur van het fonds beoordeelt dit op basis van financiële gegevens, waarbij er gekeken wordt naar de begroting en de bijdrage die een distributeur verleent.

“Het bestuur laat hierbij soms de mérites van de opzet en de vakbekwaamheid van de makers bij de beoordeling buiten beschouwing.”

De bioscoopbond concludeert na enkele jaren dat de positieve functie die het Productiefonds heeft voor de Nederlandse speelfilmindustrie zich steeds duidelijker aftekent.

“Men kan gerust stellen dat er zonder dit fonds praktisch geen speelfilmproductie mogelijk zou zijn. Want, moesten de producties geheel op eigen risico tot stand worden gebracht, dan zou, zo is in de praktijk wel gebleken, eigenlijk op iedere productie een belangrijk verlies worden geleden. De praktijk sedert de oprichting van het Productiefonds is namelijk, dat op een uitzondering na geen terugbetaling aan het fonds van verleende bijdragen mogelijk is. (NB Het productiefonds hanteert een terugbetalingsregeling waarbij geldt dat op het moment dat de producent zijn eigen investering terug heeft, hij het verleende bedrag aan het productiefonds terugbetaalt.) “

In de zestiger jaren is de Nederlandse film wisselend succesvol en wordt er voortdurend gemeld dat er meer geld beschikbaar moet worden gesteld omdat het risico voor de producenten, vooral door stijgende productiekosten, nog steeds veel te groot is.

Halverwege de jaren zestig heeft het productiefonds 1.25 miljoen gulden ter beschikking en worden er jaarlijks een handvol films ondersteund.

1970 – Door de komst van televisie daalt in de jaren zestig het biscoop-bezoek drastisch en is het financieren van Nederlandse film nog moeilijker. In de jaren zeventig wordt de doelstelling verder uitgewerkt. Het begrip ‘continuïteit’ werd ruimer opgevat en uitgebreid naar o.a. de creatieve krachten zoals scenarioschrijvers en regisseurs. Ook moest de diversiteit bevorderd worden door een veelzijdig aanbod van Nederlandse films voor een zo breed mogelijk publiek.

De vier in 1971 uitgebrachte Nederlandse speelfilms Mira, Wat zien ik, Blue Movie en Daniël hebben tezamen met de Nederlandse jeugdfilm een marktaandeel van 15% bereikt. ..  De ontplooiingsmogelijkheden zijn in de ons omringende Europese landen doorgaans echter aanzienlijk ruimer door het complex van overheidsmaatregelen ten behoeve van de nationale film. Voor een wezenlijke continuïteit van de nationale film is voor ons land een aanpassing van het overheidsbeleid aan internationale normen onontbeerlijk.’

Het productiefonds heeft dan 1.6 miljoen ter beschikking en tot dan toe zijn er gemiddeld 6 films per jaar ondersteund.

1974 – Het bestuur wordt in de zeventiger jaren voor 50% ingevuld door het ministerie van Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) en voor 50% door de Bioscoopbond. Wanneer er geopperd wordt dat er ook een producent zitting zou moeten hebben in het bestuur wordt dit ten strengste afgeraden, met als reden dat een producent-bestuurslid al die tijd zelf geen projecten zou kunnen aanvragen en bovendien zou de producent inzage krijgen in allerlei concurrentie gevoelige informatie omdat het fonds te maken heeft met vertrouwelijke gegevens over projecten die in een pril stadium verkeren.

Het fondsbestuur vindt het op dat moment ook nodig om op te merken dat het zichzelf niet teveel op de voorgrond wil plaatsen.

Het Productiefonds is een initiëringsinstituut dat diensten verleend, maar niet verder wil gaan. Het fondsbestuur wil onder geen beding op de stoel van de producent of de regisseur gaan zitten.

De ambitie is jaarlijks 6 speelfilms te ondersteunen.

1976 –

“De kern van de problematiek waar de filmproductie nationaal en internationaal mee te kampen heeft, wordt gevormd door het financieringsvraagstuk. Men kan stellen dat de productie van speelfilms zonder een stelsel van subsidiering niet meer denkbaar is.”

Op dat moment zijn er nog steeds twee manieren om overheidsbijdrage te ontvangen in de kosten van een film. Via het ministerie van CRM, hierin adviseert de raad voor de Kunst, en via het productiefonds.

In de nota van de minister wordt het functioneren van het Productiefonds beschreven:

‘In het geval een bijdrage via het Productiefonds betreft, gaat het hier in alle gevallen om 35mm hoofdfilms. Het Productiefonds is na de oorlog ontstaan in een poging de Nederlandse filmproductie levensvatbaar te maken. In die tijd was de financiële bijdrage van de NBB ongeveer gelijk aan die via van het toenmalige ministerie van OKW. Het aantal personen dat benoemd door het ministerie CRM in het Productiefonds zitting heeft en dat van de leden van de NBB is gelijk. Op dit moment is de financiële bijdrage van het ministerie van CRM meer dan ¾ van het totaal, maar verhouding tussen het aantal vertegenwoordiger van de NBB en de personen benoemd door het ministerie van CRM is gelijk gebleven. In ongeveer vijf besloten vergaderingen per jaar wordt beslist welke aanvragen voor financiële bijdrage gehonoreerd worden. De beoordeling geschied op basis van de begroting. Bij de beslissing wegen de exploitatiemogelijkheden van de te maken film zwaar. Voorts dient er een distributiecontract voor de te maken film te bestaan van een Nederlandse distributeur die lid is van de NBB. De distributeur heeft daarom een sleutelpositie bij de aanvrage van een film.’

Men begint het een probleem te vinden dat het overgrote deel van de begroting van het Productiefonds ingevuld wordt door de overheid terwijl de helft van het bestuur (nog steeds) ingevuld wordt door de bioscoopbond.

“Het zij opgemerkt dat het Productiefonds binnenkort twintig jaar zal bestaan. Het ligt voor de hand van deze gelegenheid gebruik te maken om op korte termijn de taak en werkwijze van het Fonds en de samenstelling van het bestuur te herzien.”

Raad voor de Kunst : Onderscheid commercieel – artistiek 

De werkgroep uit de Afdeling Filmkunst van de Raad voor de Kunst stelt vast dat er in het verleden vaak een grens is getrokken tussen de zogenaamde commerciële film en de artistieke film. De werkgroep merkt op  (net als overigens Hedy d’Ancona enkele jaren later (1991)) dat zo’n splitsing kunstmatig is.

‘Wanneer de overheid de Nederlandse film bestaanszekerheid wil geven, dan moet zij haar beleid zodanig inrichten dat de Nederlandse filmer en de Nederlandse filmproductie voldoende mogelijkheden geboden worden om zich te ontplooien. Daarbij is de taak van de overheid samen met de privésector niet alleen het bestaande publiek uit te breiden, maar vooral de rest, het niet-publiek, naar zich toe te trekken.

De werkgroep vindt bovendien dat het Productiefonds ook de korte film zou moeten gaan ondersteunen. Er zou één fonds moeten komen.

1977 – 1993 Kwaliteit van de Nederlandse film

1977 – In NRC Handelsblad wordt tijdens Film International Rotterdam kritiek geuit op de Bioscoopbond en zijn betrokkenheid bij het Productiefonds. De filmredactie verwijt de bioscoopbond dat de ‘goede’ film geen kans krijgt. De krant vindt dit met name zorgelijk vanwege de betrokkenheid van de Bioscoopbond in het Productiefonds.

“De bond heeft een bepalende invloed en in elk geval een vetorecht in het Productiefonds, voor het grootste gedeelte uw belastingcenten de mijne.”

De bioscoopbond reageert hierop dat films van een kwalitatief hoog niveau essentieel onderdeel uitmaken van de bioscoopprogrammering en dat het daarbij in ‘de gelukkige omstandigheid verkeert dat dergelijke films een zeer groot publiek trekken en niet zijn voorbehouden aan de happy few.’ Als voorbeelden geven ze films als One Flew over the cuckoo’s nest, 1900, Max Havelaar, Dog Day Afternoon, All the Presidents men, Barry Lyndon en Taxidriver.

 

Dat het Productiefonds sindsdien worstelt met het kwaliteitsvraagstuk blijkt wel uit het verslag van de besluitvorming op de site van Andere Tijden. We geven het verslag op een enkele passage na bijna letterlijk weer omdat het een geweldig goed (en grappig) beeld geeft van de gang van zaken.

Uit Spetters, de wording van een cynisch sprookje | Credits : Tekst, reportage : Hein Hoffmann, Tekst, research : Martijn Blekendaal, Tekst: Joost de Waal.

De subsidieaanvraag

De eerste versie van het script van Spetters wordt voorgelegd aan de Stichting Productiefonds voor Nederlandse Films. Deze organisatie moet jaarlijks honderden scripts, ideeën en synopses beoordelen om te kijken of deze in aanmerking komen voor subsidie. Het bestuur van het fonds bestaat uit zes man: drie kroonleden, waaronder auteur Anton Koolhaas die optreed als voorzitter, en drie leden afkomstig uit de bioscoopwereld……..

Tijdens de vergadering van 15 december 1978 wordt er gevraagd om een besluit te nemen over het project ‘Jukebox’ van Jos Stelling, ‘Beheerst’ van Pim de la Parra ‘en een aanvraag van VSE FILM BV om een financiële bijdrage in de productiekosten van een Nederlandse hoofdfilm ‘Spetters’, oorspronkelijke titel ‘Buddies’, onder regie van Paul Verhoeven.’ Van Deelen: ‘Ik vond het shit, korter kan ik het niet samenvatten.’ Ook de andere bestuursleden zijn niet enthousiast over het project. Men vindt het verhaal te onwaarschijnlijk, onrealistisch, clichématig en bovendien te zwaar aangezet. De voorzitter, aldus de notulen van het Productiefonds, ‘is van mening dat het hele scenario van een vervalsing getuigt; “het is alles nodeloos gedoe”’. Tijdens de verdere discussie blijkt dat het bestuur niet wil uitsluiten dat de film een commercieel succes zal blijken, waarbij vergelijkingen worden getrokken naar de Amerikaanse kaskrakers ‘Grease’ en ‘Saturday Night Fever’. Hoewel het bestuur unaniem negatief is over Verhoevens project durft men het toch niet aan om het script zomaar van tafel te schuiven. Het bestuur is bang voor de reputatie die het trio heeft en besluit tot een gesprek met Verhoeven, Soeteman en Van den Ende waarbij ‘ze ter sprake zullen brengen of ze in de mentaliteit van de film nog enige veranderingen kunnen aanbrengen. Daarbij zal,’ zo staat het in de notulen, ‘ze duidelijk worden gemaakt dat het bestuur in de algemeen ernstige bezwaren tegen het scenario heeft. In afwachting van dit gesprek wordt de aanvrage aangehouden.’

Paul Verhoeven met cast Spetters. Bron Ned Film Festival 1980

‘God-ver-domme’

Het gesprek dat in december 1978 plaatsvindt zal een van de roerigste vergaderingen in de geschiedenis van Stichting Productiefonds voor Nederlandse Films worden. Voorzitter Anton Koolhaas zal in latere notulen vermelden dat het een ‘onplezierig en emotioneel gesprek was’.
Bij het gesprek zijn vijf man aanwezig: Koolhaas en J. van Taalingen, respectievelijk voorzitter en secretaris van het Productiefonds, en Verhoeven, Soeteman en Van den Ende. Van Deelen is niet aanwezig maar hij weet zeker dat het een buitengewoon pittig en emotioneel gesprek is geweest: ‘Verhoeven en Soeteman voelden zich op hun pik getrapt door dat stelletje regenten die hun wel eens zouden vertellen wat ze van hun geweldige script vonden. Ze waren razend en ik denk dat de asbakken door de lucht zijn gegaan. Maar dat fantaseer ik.’

Paul Verhoeven en het bestuur van het Productiefonds hebben van oudsher een zeer slechte verstandhouding. Verhoeven: ‘Als je in Nederland vier films hebt gemaakt die tot de succesvolste van de Nederlandse cinema behoren dan moet je iedere keer weer op je knieën liggen – reputatie of niet. Dan moet je weer helemaal overnieuw beginnen voor een miserabele zes ton.’ Het fonds is echter de mening toegedaan dat de films van Verhoeven zo commercieel zijn dat ze de subsidie van het fonds niet nodig hebben. Ook persoonlijk botert het niet. Zo heeft Anton Koolhaas na de verfilming van ‘Keetje Tippel’ ooit gezegd dat de makers voor deze film de doodstraf verdienen.

Bij de vergadering op 22 december 1978 is de toon al snel gezet. Voorzitter Koolhaas kwalificeert het scenario als ‘vuiligheid’. Over het personage van Fientje roept hij, volgens Verhoeven, met overslaande stem uit ‘en het is een hoer!’. Soeteman herinnert zich dat Joop van den Ende, die zich tot op dat moment stil heeft gehouden, het niet meer houdt. Langzaam en duidelijk articulerend vloekt hij: ‘God-ver-domme! God-ver-domme, godverdomme! God-ver-domme!’ Om vervolgens te briesen: ‘Hoe durf je zo met deze mensen om te gaan, zij die zoveel voor de Nederlands cinema hebben gedaan!?’ Om zijn woorden kracht bij te zetten slaat hij met enorme kracht met zijn gebalde vuist op tafel. Koolhaas schrikt zo hard dat hij een meter achteruit deinst.

‘Op dat moment kreeg ik toch wel de tranen in mijn ogen gewoon omdat die man zo voor ons project aan het vechten was,’ zegt Verhoeven later over het incident. Na afloop van het gesprek gaat het drietal naar buiten, waar Verhoeven en Van den Ende in lachen uitbarsten. ‘Ze hadden gewoon toneelgespeeld,’ is de reactie van een verbijsterde Soeteman. ‘Maar de emotie was echt,’ vult Verhoeven aan.

Paul Verhoeven Foto op site Andere Tijden

In de notulen van het Productiefonds schrijft voorzitter Koolhaas: ‘Het gesprek met de heren Van den Ende, Soeteman en Verhoeven was erg geëmotioneerd en onaangenaam. De heren waren beledigd door de afwijzing van hun script en hebben fel gereageerd. Zij zijn ten slotte weggegaan met het voornemen het scenario op sommige punten te herzien.’
Geheel volgens afspraak herschrijven regisseur en scenarist het script en een week voor de beslissende vergadering ligt bij ieder lid van het fonds een herziene versie in de bus. Het is een dik boekwerk waarbij de negen geheel of gedeeltelijk herschreven scènes op blauw papier zijn gekopieerd. Bovendien sturen Soeteman en Verhoeven het Productiefonds ook nog een ‘Toelichting op het scenario ‘Spetters!’’: dertig pagina’s met sociologische, psychologische, Bijbelse en andere intellectuele achtergronden bij het scenario. Met betrekking tot de bekering van Maja schrijven de filmmakers: ‘Uitgebreide studies hebben aangetoond dat zowel voor de massa als voor de enkeling geldt: in een tijd van existentiële onzekerheid neemt het geloof toe en neigt tot radicalisering. Die onzekerheid is vaak een maatschappelijke, veroorzaakt door economische achteruitgang of door dreiging van buitenaf. Het Messias-geloof van het Joodse volk bv. is niet los te zien van de Romeinse onderdrukking, juist de Romeinen kruisigden Jezus.’

Op 30 januari 1978 vindt de laatste vergadering over het toekennen van de subsidie plaats. Het drietal is uitgenodigd om eventuele vragen te beantwoorden. Op de vraag van de voorzitter of de wijzigingen in het script al dan niet met tegenzin tot stand zijn gekomen antwoord Soeteman volgens de notulen: ‘Men is tegen zichzelf als men iets dat in redelijkheid wordt voorgesteld, totaal verwerpt.’ Hij zou de verandering met plezier hebben aangebracht.

De meeste leden van het Productiefonds herzien na de uitleg van het drietal en het herlezen van het aangepaste script hun mening. Men vindt dat de vervelende scènes menselijker zijn geworden, en dat het verhaal nu aannemelijker is. Enkele leden vinden zelfs dat hier misschien wel een goede film uit kan komen. De meerderheid van het bestuur heeft redelijk vertrouwen in de makers, en er wordt besloten Verhoeven, Soeteman en Van den Ende ‘the benefit of the doubt te geven’ en ze een renteloze lening te verstrekken.

Slechts één lid van het Productiefonds blijft tot het einde grote bezwaren tegen het script houden: Arnoud van Deelen, die het verhaal een vertekening van het arbeidersmilieu vindt. Van Deelen nu: ‘Ik vond het shit en ik blijf het shit vinden en ik vind het onbegrijpelijk dat de andere leden zich zo in hebben laten pakken door het drietal.’

Hoe de fondsleden zich hebben laten belazeren blijkt pas bij de première. Dan wordt duidelijk dat Verhoeven gewoon het eerste, door het Productiefonds verworpen script, heeft verfilmd. Verhoeven: ‘We hebben om in aanmerking te komen voor subsidie een aantal scènes herschreven. Zo wordt Eef, in het herziene script, als hij wordt betrapt bij het potenrammen niet door vier man verkracht maar krijgt hij een soort corrigerend klapje op de vingers. Maar toen we het geld binnen hadden heb ik gewoon het oorspronkelijke script verfilmd. Sterker nog: ik heb er een extra verkrachter ingeschreven. Nee, dat is niet verkeerd; in oorlog, liefde en film maken is alles toegestaan.’

Uit: de Volkskrant, 23 februari 1980

Het komt vanaf dat moment niet meer goed tussen Paul Verhoeven en het Filmfonds. In 2015 laat hij zich in de Volkskrant kritisch uit over het functioneren van het Filmfonds.

1983 – Er komt een tweede fonds, het Fonds voor de Nederlandse film. Dit ‘kleine fonds’, zoals het genoemd wordt, krijgt als voornaamste taak opvang en kweekvijver te zijn voor aankomende cineasten en het bevorderen van diversiteit in de filmcultuur door een categorale indeling van films, b.v. documentair en animatie.

De verschillen tussen het Productiefonds en het kleine Fonds worden in de komende jaren steeds kleiner. Het belangrijkste verschil is de hoogte van het productieplafond (1 miljoen gulden). Het kleine fonds is voornamelijk voor lowbudget films.

In een artikel van de Filmkrant uit 2007 door Karin Wolfs met als titel 15 jaar Nederlands fonds voor de film, van Hedy tot Medy, lezen we dat het productiefonds in de jaren tachtig zo’n 7.5 miljoen gulden te verdelen had. De uitvoering van Filmbeleid was, zoals we ook al uit het verslag op de site van Andere Tijden lazen, vrij overzichtelijk. Het werd gedaan door een bestuur en een secretaris. Het bestuur werd voorgezeten door eerst Anton Koolhaas en later Jan Blokker. Deze werden bijgestaan door een secretaris; de heer van Taalingen van de bioscoopbond en later door Mejuffrouw meester Krietemeijer, ook van de bioscoopbond.

Matthijs van Heijningen zegt hierover in het Filmkrant-artikel

“Het leverde soms grote ruzies op, Houwer schold op Blokker die zo z’n opvattingen had, maar ach, je had wel een gesprek. Het was vrij overzichtelijk allemaal en de lijnen waren kort.”

1993 – 2006  kwalitatieve selectiecriteria

1991 – 1993 Begin jaren negentig is er sprake van een serieus gebrek aan publieke belangstelling voor de Nederlandse film. Men vindt bovendien dat de kwaliteit van de films te wensen overlaat en dat er weinig continuïteit is onder makers. De vraag rijst opnieuw of publieksfilms eigenlijk wel ondersteund moeten worden. De toenmalige minister van W.V.C, mevrouw Drs. Hedy d’Ancona zegt dan het volgende over het onderscheid tussen artistieke- en publieksfilm in 1993, tijdens een bijeenkomst georganiseerd door de Nederlandse Federatie voor de Cinematografie (NFC) zoals de Bioscoopbond inmiddels heet :

‘Voor een sterke infrastructuur zijn goede, populaire publieksfilms ook broodnodig. In zekere zin maken deze films investeringen in de artistieke film mogelijk. Overigens vind ik dat in de Nederlandse filmsituatie een scherpe scheiding tussen ‘artistiek’ en commercieel’ wat kunstmatig aandoet. Het voorstel van een matching-fund lijkt me dus zo gek nog niet, als het – ook qua middelen – in aansluiting op het nieuwe fonds wordt uitgewerkt.’

Hedy d’Ancona stelt in haar filmnota  vervolgens voor om de twee fondsen te laten fuseren. Jan Blokker (toen voorzitter van het Productiefonds) en Rinus Haks (als penningmeester van het Filmfonds ) schrijven een reactie en worden adviseurs bij het interim-bestuur van het nieuw op te richten fonds. Dit interim bestuur staat onder voorzitterschap van Leo Spigt. In het bestuur is de bioscoopbond vertegenwoordigd en hebben ook Emile Fallaux en de Deen Bo Christensen zitting. Uit een artikel in NRC van 30 maart 1993 valt te lezen welke beleidskeuzen toen een rol speelden:

 “De benoeming van Bo Christensen in het voorlopig bestuur wijst op een warme belangstelling van de minister voor wat wel ‘het Deense model’ genoemd wordt. Mede door een ruimere overheidssteun en de beoordeling van projecten door zogenaamde ‘consulenten’ met een grote mate van individuele armslag in plaats van door commissies, werden in Denemarken een aantal jaren aansprekende resultaten behaald, bij voorbeeld in de vorm van twee Oscars voor de beste niet-Engelstalige film. Naar verluidt zou men echter nu in Denemarken weer af willen van het consulenten-systeem. Ook de door Blokker en Haks opgestelde nota ter voorbereiding van het nieuwe Nederlandse Filmfonds geeft de voorkeur aan anonieme beoordelingscommissies (zoals die bij het Stimuleringsfonds voor Culturele Omroepprodukties functioneren) boven consulenten. Bestuurslid Fallaux nam in een onlangs geschreven, en aan de minister verstuurde notitie nog meer afstand van het Deense model en bepleit adviescommissies met telkens een buitenlander als lid. Volgens de festivaldirecteur ligt de kracht van de Nederlandse produktie in het maken van kunstzinnige en goedkope films. Die sector zou verder versterkt moeten worden, mede door investeringen in de filmvertoning, het actief zoeken naar internationale co-produktie en een betere filmpromotie in het buitenland. In tegenstelling tot Blokker en Haks ziet Fallaux weinig in de automatische subsidie van dure, commerciële films van “succesvolle’ producenten, zonder kwalitatieve toetsing.“

‘In een brief, ondertekend door drie filmfestivals (Rotterdam, de Nederlandse Filmdagen en het International Documentary Festival Amsterdam) en het Nederlands Filmmuseum, en gedateerd op 15 maart (twee weken voordat Blokker zijn vertrek aankondigde) wordt aan filmmakers en andere betrokkenen gevraagd adhesie te betuigen aan de notitie-Fallaux, vooral aan diens opvatting dat “automatische subsidies aan producenten eigenlijk niet thuishoren in een filmfonds dat geacht wordt een instrument van kunst- en cultuurbeleid te zijn”.

Nog geen maand later kondigt het bestuur aan dat het haar werkzaamheden beëindigt. In een artikel van NRC van 16 april 1993 staat :

“Gisteren heeft een volgens WVC “verhelderend’ gesprek plaatsgevonden tussen de minister enerzijds en de heren Blokker (voorzitter Productiefonds) en M.J. Haks (penningmeester van het Fonds voor de Nederlandse Film) anderzijds. Daarin werd vastgesteld dat het interim-bestuur van het nieuwe Filmproductiefonds onder voorzitterschap van mr.L. Spigt zich bij zijn werkzaamheden uitsluitend zal baseren op de Cultuurnota van de minister, het rapport van Blokker en Haks en het advies van de Raad voor de Kunst. De door Blokker gewraakte notitie van interim-bestuurslid E. Fallaux staat bij hun overleg dus officieel niet op de agenda.”

Hedy d’Ancona heeft in haar cultuurbeleid van 1993 de belangrijkste beleidslijnen uitgezet die tot vandaag gelden. Karin Wolfs somt deze in haar artikel van 2007 als volgt op:

“het aanscherpen van kwalitatieve selectiecriteria“, wat neerkomt op “continuïteit voor – noodzakelijkerwijs – minder producenten en regisseurs.” Ze (Hedy) stelt vast dat er te weinig makers zijn die met steun van de fondsen meerdere films maken, wat “belangrijk is voor de ontwikkeling van vakmanschap en kunstenaarschap.” D’Ancona wil, kortom, dat voortaan het kaf van het koren wordt gescheiden en dat talent een oeuvre opbouwt.
 Aan ideeën geen gebrek. Naast een inhoudelijke kwaliteitstoets oppert d’Ancona automatische prestatiebeloning achteraf, op basis van publieksbereik of succes op festivals. Daarnaast overweegt ze de instelling van een matching fund dat elders verzamelde budgetten automatisch aanvult. Fiscale voordelen moeten er komen. En een ‘filmstudio’ voor beginnende filmmakers onder “aanstekelijk artistiek leiderschap”. Het zijn precies dezelfde formuleringen die nog altijd in beleidsstukken opduiken. ….

Veel van de ideeën uit begin jaren ’90 die niet direct gestalte krijgen, komen in de loop der jaren tot stand: de ‘filmstudio’ wordt in ’95 het Binger Instituut, de fiscale regeling komt er in ’98 (Note : de CV regeling), en het Filmfonds haalt in 2003 de succesbonus van de plank. Deze zomer tenslotte krijgt het matching fund (Note de Suppletieregeling) gestalte als opvolger van de cv-regeling. De hand van Hedy als architect van Nederland filmland is anno 2007 nog altijd voelbaar.”

Vanaf 2003 zijn er online jaarverslagen van het Filmfonds beschikbaar waardoor we per jaar kunnen aangeven wat de belangrijkste beleidsveranderingen zijn geweest.

2004 – Naast een commissie die aanvragen beoordeelt, is er ook een intendant voor de commerciële film en er wordt een artistiek adviseur aangesteld.

Het filmfonds laat weten dat het een manier gevonden heeft om onderscheid te maken tussen commercieel en artistiek. Bovendien blijkt uit een passage in het jaarverslag dat men  het resultaat van een film denkt te kunnen voorspellen.

“Het Filmfonds heeft onder zijn adviseurs deskundigen die de kansen op voldoende publieksbereik goed kunnen inschatten. Nalezing van de adviezen uit het verleden leert dat de adviseurs degelijke voorspellingen doen over het aantal bezoekers. Daarnaast zullen signalen uit de markt een rol spelen. Publieksfilms moeten ook andere particuliere investeerders, zoals distributeurs, weten te interesseren. ”

Het Filmfonds stelt bovendien kwaliteitseisen aan de publieksfilm. Het wil zorgen dat er ‘goede’ publieksfilms ontstaan.

“Door binnen de regeling publieksfilms eisen te stellen aan scenario en zakelijk plan voorkomt het Fonds dat er met overheidsgeld films worden geproduceerd die weinig kwaliteit hebben, die niemand wil zien of te zien krijgt. ”

In 2004 neemt de inhoudelijke controle verder toe en deze controle wordt bovendien uitgebreid naar de zakelijke kant.

De vraag of commerciële films ondersteund moeten worden door de overheid komt eens in de zoveel jaar naar boven. Inmiddels is men ervan overtuigd dat ook commerciële films in ons kleine taalgebied ondersteund moeten worden, hetgeen dan bij voorkeur geregeld wordt via matching fund maatregelen.  Maar…   helaas duurt het meestal niet lang voordat er kritiek is over de kwaliteit van de ondersteunde films, met als gevolg dat de matching regeling, die het marktaandeel behoorlijk opkrikt, meteen weer afgeschaft wordt. De overheid en de fondsen zijn niet in staat de kritiek te pareren.  Ze zouden kunnen zeggen dat de interesse van het grote publiek voor de Nederlandse film nodig is om er voor te zorgen dat er financiering loskomt vanuit marktpartijen, ook voor de zogenaamde kwaliteitsfilms en artistieke film. En wie bepaalt wat kwaliteit is? Bestaat kwaliteit niet ook dankzij pulp en is pulp in sommige gevallen niet gewoon een mislukt experiment? Film is geen krokettenbusiness.  Het ontzag voor de ‘goede smaak’ is zo groot dat de fondsen over de hele linie kwaliteit willen afdwingen – bij artistieke films en bij publieksfilms. Dat het fonds kwaliteit wil afdwingen is niet zo gek,  de manier waarop het dit doet is dat wel. Het afdwingen van kwaliteit gebeurt niet via het scheppen van gunstige randvoorwaarden (behoorlijke budgetten, professionele setting, creëren van voldoende tijd voor het schrijven en produceren) maar via inhoudelijke controle op artistieke keuzes in het maakproces. Het is een werkwijze die keer op keer de samenwerking tussen het Filmfonds en de sector ontregelt en verstoort. Ieder management boek bevestigt dat een slechte samenwerking tussen partijen, in dit geval financier, producenten en makers, het ontstaan van kwaliteit alleen maar ondermijnt.

2005 – Het duur niet lang of door de steeds groeiende controle ontstaat er kritiek. In het jaarverslag valt te lezen :

“Maar er komt medio 2005 ook kritiek op de uitvoering van het beleidsplan van het Filmfonds: de Nederlandse Vereniging van Speel-filmproducenten (NVS) kan zich niet langer vinden in het beleid en voelt zich onvoldoende gehoord. Delegaties van beide organisaties bestaande uit twee bestuursleden en de directeur voeren in het najaar vier gesprekken, die als constructief worden ervaren.

Onder druk van de producenten die ook richting Den Haag gaan ontstaat er een Filmfonds dat zich steeds meer richt op de producenten.

Afgesproken wordt dat het Filmfonds in zijn beleid zwaarder inzet op producenten. In 2006 zullen de gesprekken over uitvoering van deze voornemens worden voortgezet.”

2006 – De Filmbrief van Medy van der Laan. Hierin schrijft ze

“Om meer ruimte te bieden aan het cultureel ondernemerschap van producenten vraag ik het Nederlands Fonds voor de film zijn inmenging in projecten te beperken.”

Foto Parlement & Politiek

Medy van der Laan zette hiermee, misschien onbedoeld, een koers in waarin het Filmfonds zich bij het bepalen van beleid meer en meer is gaan richten op producenten. Dat de producenten ook voortvarend het beleid gingen bepalen maken we op uit het eerder genoemde artikel van Karin Wolfs:

“Bij gebrek aan initiatief van het fonds zijn het vervolgens de producenten die samen met investeringsfaciliteit Fine het nieuwe matching fund (door OC&W omgedoopt tot ‘suppletieregeling’) op poten zetten.”

 

2006 – 2016 Op de stoel van de producent?

 2007 – Er wordt een matching fonds opgericht; de Suppletieregeling.   De bijdragen worden verstrekt op basis van financiering door marktpartijen en zijn onafhankelijk van een inhoudelijk oordeel.

2009 – Oktober 2009 : Doreen Boonekamp vervangt Toine Berbers die vanaf 2001 directeur van het Filmfonds was. Doreen wordt directeur / bestuurder in het nieuwe raad van toezicht model (hierover later meer) De doelstelling van de nieuwe directeur is onder andere :

“Kort samengevat: transparantie in besluitvorming. …. Verder is het belangrijk om de regelgeving terug te dringen. We bekijken daarbij ook welke informatie je vooraf nodig hebt om te kunnen beoordelen of een aanvraag in behandeling genomen kan worden en welke informatie je nodig hebt om achteraf te kunnen toetsen..’

Publieksfilm wordt samengevoegd met de lange speelfilmregeling. Er is geen maximale bijdrage meer.

Het aantal werknemers bij het fonds stijgt. Het is in 2016 verdrievoudigd vergeleken bij het aantal dat er in 1999 werkte.2011 – Alle fondsbijdragen zullen voortaan pro rato aan het Filmfonds terugbetaald worden, naar financieringsaandeel in dezelfde positie. Om de producenten toch nog te laten profiteren van de opbrengsten van hun film komt het fonds met het ministerie van OCW overeen dat per 1 januari 2011 de terugbetaalde middelen uit de exploitatie van films door de producent ingezet mogen worden voor nieuwe filmproducties. De zogenaamde revolverende middelen doen hun intrede.

“Met ingang van 2011 is de suppletieregeling opnieuw herzien om deze nog beter toe te snijden op de brede publieksfilm en om het ondernemerschap van producenten verder te vergroten.”

2012 – Op 23 januari 2012 presenteert het Fonds aan de Nederlandse filmsector zijn nieuwe beleidsplan 2013-2016, Innovatie en perspectief. Het heeft tot hoofddoel de kwaliteit van Nederlandse films te verhogen, het productievolume te stimuleren (een paar jaar later moet dit volume weer afnemen) en de relatie met het (inter)- nationale publiek te verbeteren. D66 en PvdA dienen een motie in waarin de regering en in het bijzonder de ministers van Cultuur en Economische Zaken verzocht worden met het Filmfonds en de sector een nationale filmtop te organiseren om tot een oplossing te komen voor de disbalans met het buitenland. –

Volkskrant 21 september 2011

2013 – De bezuiniging van ruim 25% op het Fonds gaat gepaard met een taakverzwaring. De beheerlasten van het fonds stijgen verder en zijn in 2016 verdrievoudigd ten opzichte van de lasten van 2004.
De Suppletieregeling die succesvol was verdwijnt. De regeling maakt plaats voor de bonus voor succesregeling. Deze regeling houdt in dat er een bonusbedrag uitgekeerd wordt aan de producent voor elke bezoeker die de film behaalt, bovenop een bepaald aantal bezoekers. De scenarioschrijver en regisseur van de film krijgen geen bonus voor succes van het Filmfonds. Als ze willen profiteren van hun succes dan moeten ze daarover afspraken maken met de producent. De bonus voor succes moet trouwens binnen een jaar uitgegeven worden aan een nieuw project.

Het commissiesysteem wordt verlaten en maakt plaats voor consulenten.

“Het Fonds stelt hoge eisen aan aanvragers, maar ook aan de eigen organisatie. Om zijn efficiëntie en slagvaardigheid te vergroten en de dienstverlening en transparantie te verbeteren, kiest het Fonds voor een nieuwe werkwijze: Het verlaat zijn systeem met adviescommissies en start met het internationaal beproefde filmconsulentensysteem.

En daar voelen we de hand van Hedy d’Ancona weer die een fan was van het Deense consulentenmodel.

Op 11 april wordt er een filmtop gehouden met minister Kamp van EZ en minister Bussemaker van OCW. Op 3 juli dienen Kamerleden Bergkamp (D66) en Monasch (PvdA) een motie in, waarin de ministeries van OCW, EZ en Financiën wordt gevraagd te onderzoeken hoe een economisch stimuleringsprogramma voor de Nederlandse filmindustrie moet worden ingericht om een maximale positieve bijdrage te leveren aan het productieklimaat voor film in Nederland en daarbij voorbeelden uit andere landen te betrekken en de budgettaire gevolgen in kaart te brengen. Er wordt jaarlijks 20 miljoen gemarkeerd voor de Nederlandse filmindustrie. Het budget voor de (cash rebate) maatregel wordt toegevoegd aan de begroting van OCW, het beheer en de uitvoering van de maatregel wordt gelegd bij het Fonds.

Het fonds introduceert drie programma’s met een specifiek profiel: New Screen NL, Screen NL en Screen NL Plus.

Het bedrag dat beschikbaar wordt gesteld ter ondersteuning van de filmsector stijgt in de komende jaren verder. In 2016 is het in totaal 50 miljoen euro.

2014 – De regeling Netherlands Film Production Incentive; de cash rebate regeling wordt ingevoerd.

2017 –  De hand van Hedy d’Ancona is nu nog, in 2017, voelbaar. Het Filmfonds hanteert een inhoudelijke toets via consulenten en een semi-automatische regeling; de cash rebate. De semi-automatische regelingen de suppletieregeling en de CV maatregel (die overigens zeer succesvol waren) zijn inmiddels verdwenen.

Het beleid is behalve cultureel ook economisch gericht en de producenten zijn centraal gesteld. Scenarioschrijvers kunnen alleen nog via de Vrijplaats zonder producent een scenariobijdrage aanvragen. Deze vrijplaats is er voor verschillende categorieen, beginnende en ervaren schrijvers. Per jaar wordt er per categorie aan 4 schrijvers toegekend, er kan maximaal 15.000 euro toegekend worden. Lees hier alle overige subsidieaanvraagmogelijkheden

 2017 – 2020  Hoe nu verder?

2017 – 2020 Enkele hoofdpunten in het huidige beleid, volgens het beleidsplan:

Creativiteit en inhoudelijke ontwikkeling van makers krijgen ruim baan. Kwaliteit gaat boven kwantiteit en vraag en aanbod worden beter op elkaar aangesloten. Kwaliteitsverbetering door : selectieve middelen voor ontwikkeling en productie verhogen, de ontwikkelingsfases flexibeler inrichten, het fonds verleent steun op maat en stimuleert diversiteit. Het kent hogere bijdragen toe aan een kleiner aantal films.

Het is een mooi streven om creativiteit en inhoudelijke kwaliteit ruim baan te geven, maar de vraag is opnieuw hoe het fonds dit voornemen omzet in regels. Een scenarioschrijver doorloopt in het huidige systeem een intensief begeleidingstraject waarbij het schrijfproces opgedeeld is in fasen – idee – treatment – scenario. Om naar een volgende fase te kunnen moet de consulent het werk inhoudelijk goedkeuren. Daarbij is het natuurlijk de vraag hoe kwaliteit wordt bepaald, wordt dit door de makers zelf bepaald of door het de consulenten van het fonds.

Er komt een slatefunding voor ontwikkeling van scenario’s, de slatefunding wordt toegekend aan producenten. Het fonds brengt talent actief onder de aandacht bij labs en co-productiemarkten.

De Netherlands Film Production Incentive wordt gecontinueerd. Het Fonds verbetert de cashflowpositie en continuïteit van productiemaatschappijen, onder meer via inzet van revolverende middelen en door afstemming van de financiële kaders met andere financiers. Het totale Fondsbudget blijft nagenoeg gelijk.
Uitgangspunt is een evenwicht tussen de ondersteuning van artistieke films en mainstream films. Het matigt het budget voor de semi-automatische Suppletieregeling ten gunste van het budget voor selectieve regelingen. (De wens voor kwaliteitscontrole is nog steeds groot) Het Fonds onderschrijft de ambitie van de minister het budget voor mainstream films op sterkte te brengen door een hogere bijdrage uit de exploitatieketen, waarover voor aanvang van de komende beleidsperiode tot nieuwe afspraken moet worden gekomen.

Wij denken dat het voor alle partijen en voor de samenwerking tussen sector en fonds beter zou zijn wanneer het fonds zich zou beperken tot het scheppen van randvoorwaarden. Dan hoeft het fonds ook niet zoveel mensen in dienst te nemen en krijgt de creativiteit in de sector veel meer ruimte.

In het volgende deel, Deel 3 | Hoe wordt filmbeleid bepaald ?  beschrijven we of en hoe de sector invloed kan uitoefenen op beleidskeuzen en de uitvoering van beleid.

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in filmdistributeurs, filmfinanciering, filmfonds, filmmakers, filmsector, filmstimuleringsmaatregel, Geen categorie, geldzaken, producenten en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Deel 2 | Filmbeleid door de jaren heen

  1. Pingback: Deel 1 | Ontstaansgeschiedenis Filmbeleid | Filmzaken

  2. ccvandijk zegt:

    Mooi dat de gebruikte bronnen worden vermeld aan het begin van het artikel. Zijn de auteurs ervan op de hoogte dat de archieven van het Productiefonds en het Fonds voor de Nederlandse film bij EYE bewaard worden?

    • We hebben inderdaad inmiddels gehoord dat EYE het archief van het Productiefonds en het Fonds voor de Nederlandse film bewaart. We hebben alleen nog geen tijd gehad daar naar te kijken. We hebben in het bericht trouwens wel het woord ‘online’ toegevoegd zodat duidelijk is dat er vanaf 2003 online jaarverslagen van het Filmfonds beschikbaar zijn.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s